Reflectie3(1).vp
De gezongen liturgie — met verwijzingen naar aanwijzingen uit de beginperiode van de VKK — Frank De kerkmuziek is voortgekomen uit de Joodse synagogege- zangen. Dat hield in: het zingen op één enkele toon van (Oud- Testamentische) teksten, voornamelijk uit de psalmen, en de afwisseling van solozang van de voorganger en koorzang van de aanwezigen (responsiegezang). Bovendien was ook moge- lijk de wisseling tussen twee koren (antifoon zingen). Dat alles was gebruikelijk in de Joodse eredienst. Het latere gregoriaans in de westerse Kerken is deels verwant aan deze Joodse muzi- kale tradities; dat geldt ook enigszins voor de muziek van de onze VK liturgische diensten, al is het aandeel gregoriaans zeer gering. We vinden die oud-gregoriaanse invloed terug in de liturgische getijdendiensten (Prime, Vespers en Completen, bij de psalmen en antifonen), maar ook in delen van de H. Mis, bij voorbeeld de invocatie, de psalmen en de antifoon- zang (in de lange vorm), het Dominus vobiscum (De heer zij met U) en het Ite missa est. Mgr. Wegdwood heeft veel aandacht gegeven aan de litur- gische muziek van onze Kerk ¹/² Muziek, veel meer dan het gesproken woord, kan muziek gevoel overdragen. Hij schrijft ¹ over “ het type muziek dat den menschen de meeste vrijheid biedt voor zelfexpressie ”. Dan gaat hij verder – en dat wil ik u niet onthouden, wel wetend dat het geschreven is in de jaren ‘20 van de vorige eeuw en, begrijpelijker wijze, niet meer overgenomen in de Engelse herdruk zo’n veertig jaren later ²: “Voor sommige klassen der gemeenschap, of voor minder ontwikkelde landen, kunnen de levendige melodieën van het Leger der Heils-type nuttig zijn, maar het valt te betwijfelen of het wenselijk is ze te gebruiken voor de beschaafde gemeente van een Londens kerk. Menige hymne die in Engeland popu- lair is, kan zoowel wat woorden als melodie betreft onmogelijk worden gebruikt op het vaste land van Europa, waar over het algemeen de muzikale smaak meer ontwikkeld is en de over- maat van sentimentaliteit in veel Engelse kerkmuziek geen waardering vindt”. De auteur gaat verder en pleit sterk voor (de Engelse vorm van) het gregoriaans dat bekend is onder plainsong of plain- chant , dus ‘vlakke’ zang; hij gaat uitgebreid in op de wijze waarop het gregoriaans moet worden gezonden. Dat moet zijn: eenstemmig, zonder harmonische aanvulling, zonder maatin- deling of ritme, hoewel de groeperingen van de noten wel een sterk ritme hebben, maar eerder dat van proza dan van poëzie. Hoewel hij dat niet noemt, moet het eigenlijk ook zonder or- gelbegeleiding worden gezongen.(In de Orthodoxe kerken vinden we dan ook geen orgel: orgelspel zou ‘vloeken in de kerk’ zijn!). Dat houdt in, dat de getijdendiensten zeer ge- schikt zijn om te zingen zonder orgel; toonvastheid van de leider is dan wel een bijna vereiste. Goede voorbeelden in onze liturgie van min of meer gre- goriaans muzikale elementen vinden we, behalve in genoemde getijdendiensten, ook in diverse delen in de H. Mis. Bij voor- beeld de invocatie, de psalm en het antifoongezang (in de lange vorm), het Dominus vobiscum (de Heer zij met U) en het Ite missa est. Hiervan geeft mgr. Wedgwood een voor- beeld, hieronder weergegeven: uit de voorbereiding in lange vorm van de H. Mis: P . Ik ver-blijde mij met hen die / tot mij zeiden; [ 1 ] [ 2 ] [ 3 ] G . opgaan zullen wij / tot het huis des Heren. [ 4 ] [ 5 ] De muziek is hier door verticale lijnen (dat zijn géén maatstre- pen!) verdeeld in 5 stukken; (1 ) intonatie – de opening van het eerste (psalm)vers, steeds alleen door de leider gezongen; ( 2 ) reciteertoon – mogelijk ook alleen door de leider gezongen; daarop kunnen op één toon vele lettergrepen, woorden en zin- nen worden gezongen, duidelijk te articuleren, met lichte ac- centen, als in proza maar niet gehaast; ( 3 ) de mediant, de derde toon van een toonladder en daarmee midden tussen de eerste en de vijfde - de gebruikelijke kleine omvang van de gregoriaanse zang; dit deel moet, na het “vastberaden” recite- ren van (2), “heel vlug worden gezongen, vloeiend en vrij, zonder voorafgaande aarzeling”. Dan een korte rust in het midden van het vers, gevolgd door de reciteertoon ( 4 ) voor de tweede helft van de psalmtekst, afgerond door de sluiting ( 5 ). Het zingen van de liturgische erediensten dient volgens Wedgwood “ de mensen ertoe te brengen vreugdevol en van ganscher harte hun zelf-expressie te geven in klank, ook al wordt daarmee niet bepaald goede muziek voortgebracht, hoe- wel het ook geen slechte muziek mag zijn. Goede muziek voortbrengen is niet het doel dat wij onszelf gesteld hebben; het doel is veeleer de inwerking op en de stimulering van het menschelijk karakter, en de samenwerking van de gemeente tot een organisch geheel … het wordt dan mogelijk met de hoogere Engelen samen te werken. Zij werken op een basis van rhythme en zijn zelf volkomen ongevoelig voor gedachten van zelfzucht … het kan het menselijk bewustzijn dan doen sa- menvallen met dat der Engelen en komen tot een vrede, die alle begrip te boven gaat.” Hierbij is gekozen voor een citaat, en niet in eigen woorden aangegeven wat de auteur van belang achtte bij het zingen tijdens de erediensten. 25 Reflectie 3(1) voorjaar 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=