Reflectie3(1).vp

De Vrij-Katholieke Kerk: luctor et emergo De V.K.K. en ik Nelly Schouw–Zaat Het zal ergens in de periode 1965-1968 zijn geweest dat ik voor het eerst iets hoorde over het bestaan van de Vrij-katho- lieke Kerk. Ik werkte toen op de redactie van een Rooms-Kat- holiek dagblad in Den Haag. Het was in de roerige tijd van het Tweede Vaticaans Concilie. Mijn spirituele leven stond op een laag pitje, ofschoon ik regelmatig voor de krant verhalen moest schrijven over Rooms-Katholieke kerkgebouwen waar beelden, knielbanken en mooie glas-in- loodramen uit verdwe- nen. Want dat paste niet meer in het religieuze denken. Ik had het gevoel dat geloven in mensen belangrijker werd gevonden dan geloof in een hogere macht. Religie was een so- ciaal en horizontaal gebeuren. Je moest goed zijn voor je naas- ten, veel geld geven aan ontwikkelingshulp (alleen dan was je een goede gelovige), ga maar door. Ik herinner mij dat ik op een zondagmorgen tijdens een dienst in een dorpskerk bijna de kerk ben uitgelopen. De priester had een nieuw soort credo en een nieuw soort Onze Vader bedacht die doordrenkt waren van een politieke ideologie die mij niet aanstond. Voor politiek hoef je niet naar de kerk te gaan, zo was en is nog steeds mijn ‘credo’. Dan kun je beter in de gemeente- raad gaan zitten of de televisie aanzetten. Beroepshalve zat ik al genoeg op publieke tribunes in gemeentehuizen. Dit alles besprak ik op een keer met een collega-journalist van een an- dere krant die daar kerknieuwsredacteur was. Hij zei: ‘Je zou eens naar de Vrij-katholieke Kerk moeten gaan, daar doen ze niet aan politiek’ Vrij-katholieke Kerk? Nooit van gehoord! Het gevolg was, dat hij mij op een woensdagavond meenam naar de Vrij-katholieke kerk aan de Haagse Rietzangerlaan. Er werd daar een Vesperdienst gehouden. Ik zal niet zeggen dat ik meteen ‘verkocht’ was. Zo zit ik in ’t algemeen niet in elkaar. Maar na verloop van tijd ging ik vaker naar de diensten. Zoals ik ook graag naar de Anglicaanse kerk in Den Haag ging. Mij sprak de diepe devotie in de kerk aan en – inderdaad – de actua- liteit van alledag gleed als het ware van je af. Uit die Haagse ja- ren bij de VKK is mij vooral de herinnering aan de bisschops- consecratie van mgr. Adriaan van Brakel bijgebleven. De Vrij-katholieke Kerk ging een belangrijke rol in mijn leven spelen. Ik verhuisde in 1970 naar het oosten van het land en had al uitgezocht dat er in Deventer en Zwolle kerkge- meenten waren. In Deventer werden diensten gehouden in een verenigingsgebouw in de binnenstad en later in een huiska- mer. Eens per maand kwam er een priester uit Twente of uit Wageningen of Zwolle om te celebreren. Na afloop werden alle liturgische benodigdheden in koffers gepakt en opgebor- gen. De eerste keer dat ik in Zwolle naar de VKK ging kon ik het gebouw niet vinden. Ik zocht een kerkgebouw, maar het bleek te gaan om een hoekpand waar vroeger een drukkerij in gevestigd was. Eenmaal binnen trof mij weer de mooie sfeer en de liefde en hartelijkheid van de kerkgangers. Toch had ik in de eerste jaren niet veel behoefte aan sociaal contact of koffie drinken na af- loop. Je hebt zoveel om over na te denken dat ik dit liever thuis in stilte deed, dan met anderen erbij. Misschien ben ik door deze attitude lange tijd een Vrij-katholiek van de koude grond geble- ven. Ik was toen trouwens nog steeds geen lid van de VKK. Lidmaatschap: inzicht en betrokkenheid Dat veranderde, toen ik in 1980 trouwde met bisschop Wil de Rijk. Ik werd tot lid van de Kerk toegelaten door priester Arthur Robinson. De relatie met Wil verdiepte zich naarmate wij onze religieuze inzichten op elkaar afstemden. Wil ging als bisschop uiteraard regelmatig in diverse kerkgemeenten cele- breren. Wij reisden er op zondagmorgen samen heen. Op de heenweg in de auto naar bijvoorbeeld Naarden of Utrecht zat Wil achter het stuur. Op zijn verzoek las ik uit het groene litur- gieboekje het Collectegebed van die dag, het Epistel en het Evangelie voor. Al rijdend over de rustige, zondagse wegen bedacht Wil zijn preek en als hij eenmaal aan de dienst begon, had hij een mooi thema uitgedacht. Voor mij, zittend in de ge- meente, was dat altijd weer een verrassing. Het landelijke kerkwerk kwam meer binnen mijn gezichts- veld. Ik was intussen secretaris geworden van de nieuwe kerkge- meente Raalte. Daardoor kwam ik bij de vergaderingen van de Raad van Gemeenten onder voorzitterschap van Frans Mulder. Ik vond het een voorrecht om zijdelings betrokken te zijn bij de bij- eenkomsten van het Episcopaat die elke eerste woensdag van de maand werden gehouden. De bisschoppen Brandt, Van Hoogen- huyze, Van Brakel en De Rijk, met hun partners, waren dan in Naarden. Er werd begonnen met een kerkdienst waarin een der bisschoppen bij toerbeurt celebreerde en de anderen als altaardie- naar meewerkten. Na de dienst en gezamenlijk koffiedrinken trokken de bisschoppen zich terug om hun besprekingen te voe- ren betreffende de gang van zaken in de kerkprovincie. Er werd dan weer samen met de partners geluncht en daarna namen wij af- scheid. Het was een fijne tijd, waarin ook sterk de nadruk lag op de internationale betrekkingen. In 1981 waren wij bij de Algemene Bisschoppelijke Syno- de in Ojai, Californië. In 1982 werd mgr. Tom Degenaars in Denemarken tot bisschop geconsacreerd en daaraan gekoppeld was er een Europees Kerkcongres in Zweden. Dat leidde weer tot Europese congressen in Nederland. De volgende Episcopa- le Synode zou ook in Nederland worden gehouden. Dat is ge- beurd in 1988, maar Wil was er toen helaas niet meer. De eerste voorbereidingen heeft hij nog wel meegemaakt, maar in het najaar van 1987 nam priester Philip Draaisma zijn taak over. Hij en zijn vrouw Frida hebben onnoemlijk veel werk verzet voor de organisatie van de Synode. Bisschop Philip is tijdens die Synode tot bisschop-elect gekozen en werd in no- 30 Reflectie 3(1) voorjaar 2006

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=