Reflectie3(1).vp
God in Beelden Frank den Outer De titel van deze overpeinzingen kan al heel wat associaties oproepen; en dat maakt het niet gemakkelijker om God “overdenkend” te benaderen. De titel bedoelt niet te zeggen dat het eenvoudig is om ‘God in beeld krijgen’, dat ‘beelden van God’ ons naderbij brengen, of toe te geven dat het al te gemakkelijk is om ‘ons God maar te verbeelden’ of ‘ons in te beelden’. Toch zijn concrete aanduidingen van God, anders dan ‘in beelden’, altijd ontoereikend – dat zal ieder toegeven. Er is wel een Godsbeséf, een van de raadselachtige gegevens van onze cultuur, een besef dát er een God is. God leek afge- daan te zijn, zelfs dood verklaard, maar komt op andere wijze terug of wordt anders benoemd; God krijgt een andere naam: ‘Iets’, ‘Geheim’, ‘Mysterie’. Het Godsbesef blijft, blijkbaar. Godsbesef Het besef van God: hoe zijn we eraan gekomen? Dat besef was er vermoedelijk al bij het prille begin van de mensheid, een gedeeld, collectief besef, zonder dat daar Godservaringen aan ten grondslag hebben gelegen. Bijzondere, ingrijpende er- varingen van bepaalde aard werden dan eerder dankzij het be- sef van God als Godservaringen uitgelegd. ‘God’ is daarvoor een Naam, uniek, met niets vergelijkbaar. Het is niet een be- grip – en daarmee niet te begrijpen – of een voorstelling. Een naam zou geen beeld, zelfs niet een denkbeeld moeten oproe- pen, maar dat blijkt een illusie te zijn, ondanks het verbod¹ voorstellingen of beelden van God te maken, waaraan het Joodse volk – waaruit het christendom is voortgekomen – zich diende te houden. Er lijkt niet aan te ontkomen; we bedienen ons voortdurend van Godsbeelden: liefde, (levens)kracht, waarheid en licht, (levens)energie. En van omschrijvingen van God als: Univer- seel bewustzijn, Grond van ‘s mensen bestaan, de Bron van al het zijn, het Heilige of numineuze, Mysterie – huiveringwek- kend en fascinerend ², het gans Andere. Maar ook bedienen wij ons van de Godsbeelden waarbij God als persoon wordt beschouwd, met menselijke gestalten, als Heer (Adonai), vader ³, almachtige, albeheerser, vorst, ko- ning, rechter en herder en met alle denkbare persoonlijke, menselijke eigenschappen als liefhebbend, genadig, toornig, straffend ….. Hij wordt aangeroepen en aangesproken als ‘Gij’ en wij richten ons tot Hem – er kan dan een ik-Gij 4 rela- tie zijn. We lezen over Hem: “Toen sprak God en zei: ...”, al weten we dat God natuurlijk spreekt bij wijze van spreken, maar toch … Alle deze Godsbeelden zijn symbolische verwijzingen, metaforen, en daarmee een benadering. Een “persoonlijk” ge- dachte ‘Vader’ houdt niet in, dat God een persoon is; ‘Vader’ is geen aspect van God, Die geen enkel ‘aspect’ heeft: God is veel meer dan vader, veel meer dan ‘herder’, veel grootser, omvattender, overstijgender, transcendent, meer overtreffend dan in alle deze beelden. Het symbool, de metafoor, maar in het bijzonder het ver- haal brengt ons toch nader tot God en verwoordt het Godsbe- sef, geeft daar vorm en inhoud aan – in woorden. Die verhalen worden verteld in de Bijbel, in het bijzonder in het Oude Tes- tament. Van grote betekenis voor het onderwerp van dit artikel zijn de verhalen opgetekend in de eerste drie hoofdstukken van het boek Genesis, een boek dat een ontstaansperiode heeft gehad van eeuwen en terug gaat tot ca. de 15e eeuw v.Chr. Ook van belang in dit verband is het derde hoofdstuk van het boek Exodus, ontstaan in min of meer dezelfde periode als Ge- nesis (midden 13e eeuw v. Chr.) en het boek Spreuken , afge- rond in de 5 de eeuw v. Chr., met eveneens een lange ontstaans- periode. Verder is van belang het meer recente boek Wijsheid van Jezus Sirach , ontstaan begin 2e eeuw v. Chr. En ten slotte het boek Wijsheid (van Salomo), dat dateert van rond het be- gin van onze jaartelling, en waarvan Paulus veel gebruik maakte in zijn brieven. In Genesis komt God ter sprake als de schepper van hemel en aarde, en van de mens; in Exodus de zelfopenbaring van God aan Mozes. In Spreuken wordt over Sofia of Wijsheid verhaald, evenals in Wijsheid van Jezus Sirach en in Wijsheid van Salomo . Het zijn alle collectieve, oorspronkelijk monde- linge overleveringen in een tijdsbestek van ca. 15 eeuwen (!). Al deze geschriften zijn samengebracht in één boek, de Bijbel. Hieronder wordt uit de genoemde bijbelboeken uitgebreid ge- citeerd en onder één noemer gebracht alsof er uit één en de- zelfde bron is geput. Dat laatste is wel verantwoord, omdat het wereldbeeld in die lange periode nauwelijks is veranderd, ze- ker in vergelijking tot de enorme veranderingen in de afgelo- pen eeuw. Maar voor het verstaan in deze tijd van die zeer oude geschriften, is het wel goed te beseffen hoe sterk het wereldbeeld van nu daarvan verschilt. Om een indruk van die drastische veranderingen in het we- reldbeeld te geven, wordt nu kort gewezen op de sterk toege- nomen kennis van het heelal en de plaats van de aarde daarin. Verandering in wereldbeeld In het begin van de 20 ste eeuw, toen ook de Liberal Catholic Church ontstond, lagen de continenten op aarde een weken- lange zeereis van elkaar. Van hooguit 30 sterren was de af- stand ongeveer bekend, en alle minder dan 30 lichtjaren van de aarde verwijderd. De aarde was een immense, dunbevolkte wereldbol. Alle sterren vormden samen het Melkwegstelsel met een diameter van hoogstens 50.000 lichtjaren; er zouden 40 biljoen (10 12 ) aardbollen op een lijn in passen. Het Mel- kwegstelsel werd gezien als het grootse object van het heelal, en eigenlijk vormde dit het gehele heelal; daarbuiten was niets. Het werd wel al vier eeuwen lang gezien als een helio- centrisch wereldbeeld, sinds Copernicus (begin 16e eeuw). Over de leeftijd van heelal en aarde kon niet veel worden ge- zegd. Begin 21 ste eeuw: de aarde schrompelde ineen: niemand was verder dan een dagreis van elkaar. Een astronaut zou in anderhalf uur de grootste afstand op aarde kunnen overbrug- gen. Het Melkwegstelsel strekt zich verder uit dan ooit: zo’n 5 Reflectie 3(1) voorjaar 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=