Reflectie3(1).vp
100.000 lichtjaar in diameter. Het is één van de ontelbare stel- sels, elk van miljoenen of miljarden sterren. Ons Melkwegstel- sel telt 100 miljard (10 9 ) sterren; de zon is daar één van. Het heelal is immens groot, en wordt zelfs steeds groter. Het is een uitdijend heelal. De aarde is ca. 5 miljard jaar oud (en is op middelbare leeftijd), het heelal ca. 15 miljard.. En wat was het wereldbeeld aan het begin van onze jaartel- ling? Een geocentrisch wereldbeeld: de aarde was het middel- punt van het heelal; de zon en de maan – veel kleiner dan de aarde – draaiden daar omheen. En de sterren: lichtpuntjes als tekenen aan de nachtelijke hemel. Verder niets. De schepping van God was dat van de hemel en de aarde, waar alles, ook letterlijk, om draaide. Het bijbelboek Genesis verhaalt de schepping van hemel en aarde; het werd geschreven toen dit wereld- beeld gangbaar was. Schepping Genesis, het eerste boek van het Oude Testament, begint met twee op elkaar volgende scheppingsverhalen, die, onafhank- elijk van elkaar, zijn samengesteld door verschillende auteurs. Het eerste verhaal (Gen 1:1-2:4a) behoort tot de priesterco- dex (6e eeuw v. Chr.) met mythologische elementen uit Baby- lonië. Het is een lofzang op het werk van de almachtige God. De Godsnaam van dit eerste scheppingsverhaal is Elohim , een meervoudswoord. ( El = Hebreeuws voor God) dat dus in feite ‘Goden’ inhoudt, maar in latere tijden toch als één God werd geïnterpreteerd. In het begin schiep God de hemel en de aarde. De aarde was woest en leeg; duisternis lag over de diepte, en de geest van God zweefde over de wateren. ‘Hemel en aarde’ staat voor alles wat buiten God bestaat: het zichtbare en tastbare. Er is een meer verheven deel – de hemel – en een ondergeschikt deel van de schepping – de aar- de. ‘De hemel en aarde’ kwam overeen met het wereldbeeld van vóór Copernicus; dat kan niet anders. God verrichtte het scheppingswerk met Zijn woord: Er zij licht, sprak God en er was licht . Licht is het allereerste, en daarmee het belangrijkste (?), dat geschapen werd. Dan, na vijf scheppingsdagen, op de zesde dag, zei God: Nu gaan Wij de mens maken, als beeld van Ons, op Ons gelijkend (Gen 1:26a). En God schiep de mens als zijn beeld; als het beeld van God schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. God zag dat het zéér goed was (Gen 1:27). Daarvóór zag Hij alleen dat het goed was, niet zéér goed.. En op de zevendag rustte God van al het werk dat Hij verricht had; Hij zegende die dag en maakte die dag heilig. De tweede schepping Dit is niet het gehele verhaal: er volgt een tweede schepping (Gen 2:4b -3:24) waarin niet de kosmos, maar de mens cen- traal staat. (Gen 2:4b-25). De schepping van de mens vindt nu geheel anders plaats (Gen 2:7; niet zoals in Gen 1:27). Het verhaal wordt toegeschreven aan een andere auteur, de Jahwist genoemd, ter onderscheid van de priester-auteur van het eerste scheppingsverhaal, omdat hij Jahweh , de persoonlijke naam van God, toevoegt aan de abstractere term Elohim . De naam Jahweh – geschreven als het tetragram JHWH 5 wordt pas la- ter, in het boek Exodus (3:14 ) verklaard. Daar legt God aan Mozes in de woestijn uit wat de betekenis van Zijn naam is: ‘Ik ben die is’ . Of ook: ‘Ik ben die zal zijn’, of ‘Ik ben wie Ik ben’. Jahweh is, anders gesteld, de Eeuwig zijnde 6 Zoals al naar voren gebracht, de schepping van de mens ( Adam) in dit tweede verhaal gebeurt anders dan in het eerste: God boetseerde de mens uit stof dat Hij van de aarde nam, en Hij blies hem de levensadem in de neus; zo werd de mens een levend wezen (Gen 2: 7). Nu is de mens aan Ons gelijk ge- worden (Gen 3:22). Hier wordt bevestigd, dat de mens naar Gods beeld is ge- schapen en bovendien bestemd is te ‘zijn’, zoals Jahweh ‘de Zijnde’ is. Om God zó nader aan te duiden is anders, maar met dezelfde zin als de aanduiding ‘Ik ben die is’. Dit nog in te- genstelling tot de mens: de mens wórdt, is een wórdend we- zen, nog niet een zijnd wezen, nog geen volkomen wezen. De volheid van het ‘zijn’ is wat de apostel Paulus het ‘pleroma’ noemt (Ef 1; 23; 3:19; Kolos 2:9), de volkomenheid van het goddelijke bestaan zelf, waartoe uiteindelijk de mens is voor- bestemd. De liefde zal in het pleroma alles met alles verenigd hebben Toch behoudt in deze, alles bevattende eenheid elk oorspronkelijke ‘ik’ zijn eigenheid en elk ‘nu’ zijn oorspronk- elijkheid. Dit eeuwige ‘nu’ is het volkomen ‘zijn’. Dit is het ‘aan God gelijk zijn’ door een kennen van God, of een zien van God. Johannes schrijft daarover: Wij zullen aan Hem ge- lijk worden, omdat wij Hem zullen zien zoals Hij is (1 Joh 3:2). Zien is een vorm van kennen, en kennen is een vorm van zijn. In het volkomen kennen realiseert zich het volkomen zijn: Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen (Joh 17:3). In een paar korte zinnen wordt de hele geestelijke evolutie en eindbestemming van de mens aangegeven. Laten we nu terugkeren tot de schepping van de kosmos. Wat voorafging aan de schepping We hebben nu beide scheppingsverhalen uit de eerste drie hoofdstukken van Genesis even weergegeven, met een nadere toelichting. Het is van belang voor het Godsbeeld, dat in het bijzonder in het allereerste begin van Genesis wordt gegeven, te wijzen op wat aan de eigenlijke schepping van hemel en aarde voorafging. Dat vinden we, vele eeuwen later opgete- kend, in het boek Spreuken (Spreuken 8:1,22-29). Daar is So- fia aan het woord: zij zegt, dat God haar schiep nog vóór Hij aan zijn andere werken begon. Zij zegt: van oudsher ben Ik gevormd, van den beginne, vóór de eerste tijden der aarde. Toen er nog geen oceanen wa- ren, was ik geboren . Toen er nog geen bronnen, rijk aan water bestonden; eer de bergen waren neergelaten, werd ik geboren. Eer Hij de aarde had gemaakt en de velden en alle grondstof- fen der wereld; toen Hij de hemel welfde, was ik aanwezig. Toen Hij een kring trok boven het vlak van de afgrond; toen Hij daarboven de wolken bevestigde; toen Hij de zee haar grenzen stelde, dat de wateren haar oevers niet zouden over- schrijden; toen Hij de fundamenten der aarde legde: vertoefde ik bij Hem, was ik elke dag voor Zijn aangezicht. Hier is aangehaald wat vaak als proloog van de H. Mis wordt gezegd in de Meditatie op de Wijsheid. Sofia Wie is dan die Wijsheid, wie is Sofia de eerstgeschapene? We kunnen hier nog aanvullingen aan toevoegen over wat van haar wordt gezegd en wat zij over zichzelf zegt. Die zijn te 6 Reflectie 3(1) voorjaar 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=