Reflectie 3(4).vp
De duisternis binnengaan en het licht zien inleiding Ceremoniële duisternis in de Haïtiaanse voodootraditie. Mijn duisternis valt plotseling en zonder waarschuwing. Het ene moment kijk ik op naar de nachtelijke hemel en verwonder me over de sterren die als diaman- ten op het fluweel van een juwelier bezaaid liggen, het volgende mo- ment word ik van achteren vastgepakt en krijg ik een blinddoek voor. Dan word ik drie keer rondgedraaid zodat ik niet meer zeker ben van de richting en naar een donkere kamer geleid waar ik vijf nachten zal blijven, altijd in het donker, en het grootste deel van de tijd geblinddoekt. Het gaat hier niet om een ontvoering. Het maakt deel uit van een ritueel waarbij mensen in Haïti op ceremoniële wijze worden ingewijd in de voodoo, de Caraïbisch religie die voortkomt uit het Afrikaanse sjamanisme dat in de tot slaaf gemaakte harten en zielen van de sjamanistische priesters en prinsen naar de Nieuwe Wereld werd gebracht. Opgeleid als psycholoog en schrijver van beroep, ben ik in Haïti om voodoo te bestuderen voor een boek dat ik schrijf over traditionele spiritualiteit en waarom die noodzakelijk en belangrijk zou kunnen zijn in de moderne wereld. [Dit boek, dat meer informatie bevat over voo- doo en mijn inwijding daarin, heeft de titel Vodou Shaman (Rochester, Vt: Destiny Books, 2003).] Maar voodoo is een geheimzinnige religie – niet verwonderlijk, gezien de hardvochtige behandeling van de slaven die haar prakti- seerden en waarvan velen door hun meester werden vermoord, gewoon omdat ze tot hun eigen goden baden.* *Tijdens de ergste periode van de slavernij in het Amerikaanse zuiden was de gemiddelde levensverwachting van een zwarte slaaf dertig jaar; in Haïti werd het als een prestatie beschouwd als een slaaf het twee jaar volhield. Het leven was goedkoop en het was vaak gemakkelijker om een nieuwe slaaf te kopen dan er een aan te pakken die op wat voor manier ook problemen veroorzaakte, hetzij omdat hij een Afrikaanse god aanbad, hetzij omdat hij zijn tijd stond te verdoen met praten in plaats van suikerriet te kappen.– en de enige manier om er kennis mee te maken is door inwijding en priester te worden. Dat is waarvoor ik heb gekozen. De inwijding omvat een aantal ceremoniën en beproevingen voor de strijder, die meestal in het openbaar ten overstaan van de dorpsgemeenschap worden uitgevoerd. Maar som- mige, zoals dit specifieke ritueel, zijn anders omdat ik, als ik eenmaal ben geblinddoekt, het vereiste aantal dagen in afzondering moet doorbrengen in de heilige ruimte van de djevo, het hart van de voo- dootempel. Tijdens deze periode zullen de geheime leringen van de religie aan mij worden doorgegeven en zal ik door de geesten zelf worden bezocht. Ik zal hen ervaren als een aanwezigheid, of recht- streekser, doordat de priesters die toezicht houden op dit proces of misschien ikzelf erdoor bezeten worden. De duisternis staat centraal in deze ervaring en het is de duisternis die me het meest fascineert. Ik heb altijd gedacht dat het eenzaam, misschien zelfs beangsti- gend zou zijn als je alleen in het donker bent. In feite ervaart mijn lichaam het als een diepe geruststelling, hoewel ik me ervan bewust ben dat mijn geest overuren maakt, maalt over vragen die bij nader inzien volkomen zinloos lijken en alleen maar blijft kletsen om zichzelf van de stilte te verlossen. Het lijkt of ik talloze lagen van stemmen in mijn hoofd heb, elk met een eigen persoonlijkheid. Psychologen noemen dat subpersoonlijk- heden. We denken dat we één consequente persoon zijn met een sta- biel wereldbeeld, maar als we naar onszelf luisteren, beseffen we dat we in feite allemaal een heel leger aan persoonlijkheden in ons hebben. Ik kan onmiddellijk drie van die stemmen in mezelf herkennen. De criticus is de eerste. Ze spreekt met de stem van een vrouw en wil het mij verwijten dat ik mezelf in deze mogelijk gevaarlijke situatie met zoveel onbekende factoren heb gebracht en omdat ik mijn verantwoor- delijkheden niet serieus neem. Per slot van rekening heb ik thuis kin- deren die van me houden en me nodig hebben. De criticus stort een stroom van sarcastische opmerkingen over me uit – ‘Je hebt het weer voor elkaar, idioot die je bent! Je hebt jezelf weer in een belachelijke puinhoop gemanoeuvreerd. Daar lig je nou, geblinddoekt, op een lemen vloer, in een hut in het oerwoud. Het is altijd hetzelfde met jou; je leert het nooit!’ – voordat ze door een andere stem tot zwijgen wordt gebracht, die van de vriendelijke ouder, die antwoordt: ‘Laat hem met rust. De jongen moet het leren. Hij moet de wereld ervaren, want dat is het enige waar het in het leven om gaat!’ Tot slot volgt de stem van de wetenschapper, de onpartijdige waarnemer, die zich tussen beide oordelen beweegt en ons een ‘goed ingelichte’ en ‘objectieve’ kijk biedt op wat er in feite gebeurt en waarom. De wetenschapper beschouwt zichzelf superieur aan de anderen vanwege zijn objectiviteit, maar precies dat weerhoudt hem ervan te voelen en houdt niet alleen de ervaring bij hem weg, maar in zekere zin ook de mensheid zelf. Mij (wie ‘mij’ ook is, nu ik begrijp dat ik meer dan één persoon ben) komt deze dialoog – met deze elkaar tegensprekende beweringen ten aanzien van mijn handelingen – fascinerend voor, totdat ik besef dat ik opnieuw ben vastgelopen in het geklets in mijn hoofd en dit zinloze, in rondjes draaiende gesprek volg in plaats van ervaar wat mij hier en nu in feite overkomt. In mijn hoofd loop ik vast op theorie en onzin, die me ervan weerhouden aandacht te schenken aan wat is. En dan draai ik ironisch genoeg weer in het cirkeltje rond, wanneer de criticus opnieuw met verse oordelen tussenbeide komt – ‘Je hebt het weer gedaan, je bent weer gevallen voor het spel van de rationele geest, je hebt je ingelaten met de stemmen in je hoofd!’ – zonder te beseffen dat ze zelf deel uitmaakt van dit spel. Het is heel opmerkelijk hoe gemakkelijk we tot dit soort gedachten vervallen en weggelokt worden van gewoon zijn, van iets voelen en ons leven ervaren. Maar nadat ik een paar dagen op deze manier in de duisternis in cirkeltjes heb rondgedraaid, gebeurt er iets nieuws en wonderlijks. Mijn geest, die zichzelf misschien heeft uitgeput of geen visuele prikkels meer heeft die hem voeden en afleiden, begint rustig te worden. Ik merk dat het gekwetter is opgehouden. Vanaf dit punt voel ik dat ik be- gin open te gaan. De priester roept de geesten aan die verschijnen door bezit van hem of mij te nemen en raad, leiding, geheimen van waarzeggerij en genezing bieden of die zelf genezing op mij toepas- sen. Terwijl mijn rationele geest nog maar een paar dagen geleden dit alles in twijfel zou hebben getrokken, accepteer ik het nu. In feite meer dan dat: ik voel de genezingen terwijl zij plaatsvinden. Iets verandert er in mijn gevoelens terwijl ik in de duisternis mythische landschappen binnenglijd: op een diep, niet rationeel niveau weet ik dat die genezin- gen natuurlijk echt zijn omdat ik ze als echt ervaar. Eén versie van de werkelijkheid vertelt me dat mijn lichaam op een lemen vloer in een smerige hut ligt, maar in mijn mythische geest bevind ik mij in een grote tempel omringd door goden en godinnen, grote zuilen van goud, wijze stamoudsten, zieners en meestergenees- heren. Ik weet niet meer en het kan me ook niet meer schelen welke van deze versies waar is, als er al een waar is. Trouwens, wat is waar- heid? Wat is werkelijkheid? Zijn beide niet gewoon wat we kiezen te geloven? Wat ik nu geloof is dat ik me hier op mijn gemak en getroost voel. Ik word vastgehouden, bemind, gesteund. Ik voel me gelukzalig. Dit moet dan de werkelijkheid van mijn ervaring zijn, dat wat feitelijk gebeurt. Ik ontspan me nog meer en glijd droomlandschappen binnen. Ergens ver weg hoor ik de woorden van Joseph Campbell die zijn studenten adviseert om hun gelukzaligheid te volgen want het is de enige weg naar de waarheid. ‘Het avontuur is de beloning op zich.’ Uren, dagen gaan voorbij – maar misschien zijn het wel jaren of slechts seconden. In de duisternis is het moeilijk te zeggen. Deze plek, deze zijnstoestand, is even tijdloos als ruimteloos, zonder precieze locatie, afgezien van mijn dromende geest. Maar er komt een moment waarop de tijd terugkeert: mijn blinddoek wordt afgedaan en ik word uit de djevo geleid en aan de zon voorgesteld. Dit is voor het eerst in dagen dat ik de natuur zie: het bos, de lucht, de aarde. Misschien is het de eerste keer dat ik ze ooit werkelijk heb gezien, want nu is alles levend en anders – onmetelijk, mooi, ade- mend, pulserend, stralend van energie, en zingt over zijn eigen be- staan in het gezoem van de cicades en het gefluister van de wind door de bladeren. Dan heb ik op dit zeer verheven en grootse moment een Homer Simpson inzicht: ‘Duh! Het leeft, sukkel!’ En plotseling zie ik wat ik was vergeten of wat me niet eerder is opgevallen: de natuur is een levend iets en ik maak er deel van uit – ik schep deze visie, ben er door geschapen. Het en ik zijn één. Dat grootse en onverklaarbare, mythische landschap waar ik dagen deel van heb uitgemaakt (mijn hele leven in feite al, hoewel ik me daar niet van bewust was) bevindt zich hier, pal voor mijn neus, in de wereld overal om me heen, de grootste droom van alle. Het avontuur is de beloning op zich. *) Met toestemming van Ankh-Hermes ongewijzigd overgenomen uit: Ross Heaven / Simon Buxton: “Duisternis belicht. Spiritueel ontwaken in de duisternis via meditatie”. Verschijnt in januari 2007). Ankh-Her- mes, 2006. * * * 7 Reflectie 3(4) winter 2006
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=