1-Reflectie 4(1)vrj07.vp

oudere mythologieën, was de vrouwelijke macht altijd primair: de Wijsheid schiep daarin de voorwaarden voor de Goddelijke Kracht of Wil (de Vader) om zich in samenwerking met haar te openbaren. Er is binnen het Christendom geen aandacht voor de vrouwelijke tegenhangers zoals we die wel tegenk- omen in de Hindoeïstische Drie-eenheid: Shiva met Sarasvati, Vishnu met Lakshmi en Brahma met Parvati. Deze godinnen worden de Shakti’s genoemd (‘deugden’ is misschien de meest geëigende vertaling, volgens Van der Stok). Zij zijn de machtsaspecten van deze Scheppers. In de heilige boeken van de Hindoes wordt de opmerking gemaakt, dat deze grote man- nelijke goden zonder hun Shakti’s niets kunnen doen, zich zelfs niet kunnen bewegen, laat staan scheppen. In onze Kerk wordt de vrouwelijke rol binnen de Drie-eenheid nog wel eens toegedacht aan de Heilige Geest. Iets waarin ik mij helemaal niet kan vinden. Tot zover heel beknopt samengevat de opvattingen van Van der Stok. Voor Jacob Boehme is Maria de Goddelijke Chaos, waarin het hele beeld van de schepping besloten ligt, dat door Wijs- heid uitvloeit in concrete vormen en gestalten. In Haar worden de krachten, beelden en deugden openbaar. Niet alleen komt de schepping in niet-stoffelijke en stoffelijke vorm uit Haar voort, maar de Wijsheid is ook de voedster van die schepping. Zoals we eerder zagen, komt daarvan iets tot uitdrukking in een van de oudtestamentische namen van God: Sjaddaj, waar- in “Sjad” ‘moederborst’ betekent. Maar ook komt er in dit beeld iets tot uitdrukking van God als Moederlijke Troost, de Gevende en de Liefhebbende. Het beeld van Maria waarin Zij het Kind de borst geeft of met ontblote borsten, zonder het Kind, wordt afgebeeld, zijn ook Godsbeelden van die zorgen- de, liefhebbende, onderhoudende en voedende God. Er zijn le- genden en verhalen over Maria die Haar melk aan stervelingen te drinken geeft, onder andere Benard van Clervaux. Er zijn nog al wat verhalen over de wonderbaarlijke gene- zing van mensen, nadat Maria aan hen verscheen en hen de borst gaf. Naast symbool voor genezing en heling door de vrouwelijke, spirituele kracht, is Haar melk ook symbool voor het leven, symbool voor de spirituele voeding van de menselij- ke ziel door de Goddelijke Wijsheid (Warner, 1978). In deze tijd zijn we steeds meer op zoek naar dat vrouwe- lijke aanzicht in beelden als Moeder Aarde, Gaia, de Grote Moeder, Maria Magdalena. Symbolen van leven, vruchtbaar- heid, wijsheid en levenservaring. In de theosofie, zoals die qua ‘grondbeginselen’ wordt be- schreven door Jinarajadasa, komt het beeld naar voren van de in Zijn schepping ‘evoluerende’ God (Jinarajadasa, 1951). Hierin schetst hij een beeld van zonnestelsels, heelallen en universa waarin in samenhang met elkaar het leven of bewust- zijn evolueert. Zo is ons zonnestelsel (eigenlijk elk zonnestel- sel) de fysieke uitdrukking van de Zonnegod (of Logos) van dat stelsel, die evolueert in en door zijn stelsel en zetelt in de zon. De ‘fysieke’ ruimte waarin dat plaats vindt, is een bol met een straal gemeten van het centrum van de zon tot aan de bui- tenste planeet X, voorbij Pluto. Het evolutieveld bestaat uit zeven planeetketens met ieder zijn eigen Godheid of planeetlogos en zijn opdracht / doel in het Grote Plan. Zij zijn de zeven machtige helpers van de Zon- negod. De Aarde vormt samen met Mars en Mercurius zo’n planeetketen. De andere planeetketens zijn die van Neptunus, Uranus, Saturnus, Jupiter, Venus en Vulcanus. Van der Stok beschrijft ze in zijn verhandeling over de aarts- engel Michaël (Van der Stok, 1998). Het feest van de Kings Week (hier) op het Internationaal Theosofisch Centrum en het feest van St. Michaël (vandaag op 29 september) hebben te maken met dit beeld van een in en door zijn schepping evolue- rende God. Op deze dag verschijnen de zeven Godheden van de planeetketens en met Hen ook allen die onder hen staan – mensen (wezens van het Transcendente), engelen (wezens van Licht) en daimonen (wezens van Vuur) - voor de troon van de Zonnegod van het stelsel om Hem te loven en te eren. Het is een feest van zuivering, regeneratie, reïntegratie, vervolma- king, consecratie en verheerlijking voor het hele zonnestelsel en het daarin evoluerende leven. Een bevestiging van God in Zijn Heerlijkheid en Koningschap door de in Zijn stelsel evo- luerende wezens, waarin het hele stelsel deelt. Ik sluit af met te verwijzen naar wat Neale Donald Walsch in een aantal boeken geschreven heeft over ‘zijn dia- logen met God’. Een daarvan heet ‘De God van Morgen’ (Walsh, 2004). Het boeiende van dit boek is het anders denken van de schrijver, en zijn uitdaging om daar in mee te gaan. Hij is niet traditioneel in zijn beelden en woorden. Je kunt goed zien dat hij weet wat er op het gebied van religie en spirituali- teit te koop is in de wereld. Weliswaar maakt hij gebruik van een eigen terminologie, maar de lezer kan wat er gezegd wordt terugvoeren op uitspraken, leringen of beelden uit geschriften van de verschillende godsdiensten. Om zijn anders denken over God kracht bij te zetten spreekt hij consequent over God als vrouwelijk en gebruikt hij de woorden ‘Haar’ en ‘Zij’. Zijn Godsbeeld is erg verschillend van Godsbeelden die we tegenkomen in het jodendom, het christendom of de islam. Het is geen gebiedende, straffende of wrekende God. Dat is volgens Walsch het beeld van de machthebbers, de ‘beheersing-van-bovenaf-structuren’, die een moraal of een wet willen opleggen. Die willen dat de mensen voor hen wer- ken, lijden, vechten, bommen leggen. Eigenlijk zegt hij, dat God is zoals wij God zien. Of wel we communiceren met het beeld dat we zelf van God hebben geschapen. Het Godsbeeld zegt daarmee iets over de mens. Hoe hij is, maar in sommige gevallen misschien ook zoals hij zou willen zijn, een wens- beeld. God is volgens Walsch een God die niets verlangt van mensen. In zijn boek staat in negen punten beknopt wat God van Zichzelf heeft gezegd in zijn dialogen met hem. De God van morgen: verlangt niet dat er in Haar geloofd wordt heeft geen geslacht, maat, vorm, kleur of enig ander kenmerk van enig individueel levend wezen praat de hele tijd met iedereen is van niets afgescheiden, is overal tegenwoordig, het Al in Alles, de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde, de Totaalsom van Alles wat ooit geweest is, nu is en ooit zal zijn is niet een uitzonderlijk Opperwezen, maar het buitengewone proces dat het Leven genoemd wordt verandert voortdurend is nodeloos verlangt geen dienstbaarheid, maar is de Dienaar van heel het Leven is onvoorwaardelijk liefdevol, heeft niet over alles snel een oordeel klaar, veroordeelt niet en straft niet. 13 Reflectie 4(1) voorjaar 2007

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=