1-Reflectie 4(1)vrj07.vp

Het herontdekte, oeroude Hebreeuwse vrouwelijke Godsbeeld; een completering van de Christelijke, mannelijke Godsnaam Frank den Outer Er zijn in de loop der eeuwen vele en zeer verschillende God- snamen ontstaan – de oudste daarvan maken het goed moge- lijk God als persoon te beschouwen en aan te kunnen spreken; de latere namen zijn abstracter of verwijzen naar menselijke eigenschappen. De persoonlijke Godsnamen zijn vrijwel uitsluitend man- nelijk; de abstracte namen zijn dat niet, of in ieder geval niet uitgesproken mannelijk. Het late Judaïsme, tot in de eerste eeuw van het Christendom, kent ook een vrouwelijk Gods- beeld; we komen dat tegen in Oudtestamentische apocriefe boeken. Mede omdat het apocriefe boeken betreft, is dit vrou- welijke beeld van God in het Judaïsme en ook in het Christen- dom op de achtergrond gebleven. Onze Kerk kent dit wel – het is betrekkelijk kort geleden opgenomen in haar liturgie vóór de H. Mis – maar geeft daar- mee niet die plaats die het mogelijk maakt het mannelijke van ons Godsbeeld aan te vullen en in evenwicht te brengen. In dit artikel wordt nader ingegaan op dat vrouwelijke Godsbeeld. Hoe dat te integreren, in het bijzonder met het mannelijke Vader en Heer, maar ook met het abstracte Liefde, Kracht, Waarheid en Licht. Dat vraagt een radicale verande- ring in onze visie op God. Godsbeelden, God in beelden, God in woorden 1 . Het spreken over God kan wel, maar brengt ons God niet nabij, we ‘ver- beelden’ ons God alleen maar. Toch concrete voorstellingen maken? In de beginperiode van het Christendom – en nu nog – bestond er ook een ‘ontkennende’ wijze van spreken over God door te zeggen wat God níet is: onnoembaar, onveranderlijk, onbegrensd, ongezien, onwaarneembaar, noch dit noch dat. Hoewel geen toerijkende, concrete voorstellingen kunnen worden gegeven of mogelijk zijn, is er wél een Godsbesef: op zich is dat bijzonder en raadselachtig. Waar komt dat van- daan? Misschien komt dat door bijzondere ervaringen van be- paalde aard die kunnen worden uitgelegd, dankzij het Gods- besef, als Godservaringen. God wordt dan benoemd, het is een naam, uniek, met niets te vergelijken; het is géén begrip, zoals een boom, maar een naam. Toch, aan de Godsnaam worden beelden verbonden, on- danks het Oudtestamentische verbod op het maken van beelden 2 . In een artikel, elders in dit blad 3 , worden hiervan vele voor- beelden gegeven, waaronder Elohiem en Jaweh. Er zijn ook beelden ontleend aan functies uit de samenleving waarmee God wordt vergeleken en om Zijn grootsheid en verhevenheid weer te geven. Een bekend voorbeeld is herder: De Heer is mijn her- der, mij ontbreekt niets Ps. 23). Maar herder, koning, vorst, rechter en heerser – het zijn geen Godsbeelden: God wordt met déze persoonlijke namen vergeléken, niet aangesproken. Hierop zijn twee grote uitzondering: ‘Heer’ 4 en, ontleend aan het ge- zin, ‘Vader’ 5 . Voor Jezus was Vader zijn Godsnaam. Hoewel God wordt vergeleken met persoonsnamen, maar niet daarmee aangesproken, wordt Hij beschouwd als een per- soon. De oudste visie op God is al die van een persoon: in het eerste bijbelboek Genesis (15 e eeuw v. Chr. of eerder!) treedt Hij op als een persoon: als de Schepper van hemel en aarde, en van de mens. Wat later, of in dezelfde of zelfs eerdere peri- ode, brengt Mozes, de leider van de Israëlieten in hun Exodus uit Egypte, God zelfs sprekend tot openbaring: “Zeg aan hen – het volk – ‘Ik ben die Ik ben’ heeft je gezonden” 6 Toch zijn die Godsnamen allemaal symbolische verwijzin- gen, metaforen, verwijzingen naar Datgene wat daarachter staat. De persoonlijke naam ‘Vader’ houdt niet in dat God een persoon is: ‘Vader’ is geen aspect van God, Die geen enkel ‘aspect’ heeft, maar wordt dan toch veelal heel letterlijk als persoon gezien, en daarmee beperkend. Die beperkende namen kunnen worden vermeden door om- schrijvingen als: de Eeuwige (al kan dat ook persoonlijk worden opgevat), Universeel Bewustzijn, Grond van ‘s mensen bestaan, de Bron van al het zijn, het Heilige, het Numineuze, het Myste- rie, het gans Andere. Ook is tegenwoordig hier en daar wel sprake van het nietszeggende woord ‘Iets’, passend binnen het Ietsisme, zó genoemd in navolging van Katholic isme , Protes- tant isme , als een manier van zeggen: ‘Ik ben geen christen, niet gelovig, ook geen atheïst; ik weet het gewoon niet. Misschien is er iets, een mysterie dat onze werkelijkheid draagt, buiten, boven, achter de waarneembare werkelijkheid’. 15 Reflectie 4(1) voorjaar 2007 Godsbeeld van de 19e eeuwse schilder William Blake

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=