Reflectie 5(2).vp

Als we deze stelling omkeren, betekent dit dat we nog niet echt samenvallen met onze Atman, ons ware Zelf, zolang we ons nog identificeren met ons man- dan wel vrouw-zijn. Dat is immers toch nog een deel van onze eigenlijke identiteit. Het mannelijke en het vrouwelijke in ons moeten één worden, en Barend van der Meer verwijst in dit verband naar de ‘mystieke bruiloft’, het ‘chymisch huwelijk’ oftewel het verlossende be- wustzijn waarin niet alleen déze twee kanten van ons zich ve- renigen, maar ook de tegenstellingen ‘boven-beneden’ en ‘binnen-buiten’. Precies zoals logion 22 van het Thomase- vangelie die ook in één adem noemt. Yin, yang en Tao Als ik terugblik op mijn persoonlijke levensloop tot nu toe, merk ik dat deze thematiek me al vanaf mijn puberteit heeft aangesproken. Ik werd me toen bewust van een zeker onbeha- gen in de identificatie met de mannelijke rol die me werd op- gedrongen. Voor de grote spiegel in de slaapkamer van mijn ouders experimenteerde ik soms met kleren van mijn moeder, om te zien of ik me ook op geloofwaardige wijze als meisje of vrouw kon uitdossen. Maar er zat niets anders op dan een man te worden, al ervoer ik dat nog zozeer als een beperking van mijn innerlijke zelf. Ik heb nu eenmaal een mannelijk lichaam en daarin voel ik me trouwens ook prima thuis. Maar ik voel me in de eerste plaats mèns, niet in de eerste plaats màn. Wat me aan het behandeld worden als een man het meest stoort, is dat er een inperking van je gevoelsleven bij deze ‘sekse- identiteit’ schijnt te horen. Op mijn 16 kwam ik, via een boekje van Jef Last over het taoïsme, in aanraking met de begrippen yin, yang en Tao . Deze termen spraken me onmiddellijk aan, alsof ik ze al ge- kend had, maar een beetje vergeten was. De relativiteit van het mannelijke en het vrouwelijke, en de harmonie van beide in onszelf, komen in het taoïsme ook aan de orde. Het z.g. ‘yin- yang-teken’ werd mijn symbool, een embleem voor mijn in- nerlijke identiteit. Naar mijn gevoel kwam ik hiermee op een spoor dat me verder bracht dan mijn christelijke opvoeding, hoewel ik geen behoefte had om me daartegen af te zetten. Het gevoel van die innerlijkheid ben ik gelukkig nooit he- lemaal verloren. Dwars door alle identificaties die me werden aangeboden – bijvoorbeeld op school, tijdens mijn studie, in m’n werk, als ‘wederhelft’ van achtereenvolgende partners – bleef ik het gevoel houden dat ik dit of dat niet wàs, dat het in zekere zin toch rollen waren die ik overigens met plezier ver- vulde. Maar wie of wat ik dan wèl was, wist ik ook niet. Zit- tend voor de grote spiegel boven de kaptafel van mijn moeder kwam ik tot het inzicht dat ik daarin weliswaar mijn buitenk- ant zag, maar ‘zelf’ onzichtbaar ben. Het klinkt misschien overdreven, maar voor mij was het een wezenlijke ontdekking. Geleidelijk aan werd ik, min of meer tegen wil en dank, een man (maar niet fanatiek, zoals de cabaretier Henk Elsink in zijn rol van ‘Harm met het harpje’ zei). Al denken we nog zo relati- verend over het een en ander, ons lichaam is kennelijk toch heel bepalend voor ons identiteitsgevoel. We worden als man c.q. vrouw benaderd en gaan ons daarnaar gedragen. En al identifi- ceer je jezelf niet met je geslacht, je doet dat elke ander wèl. Treffend voorbeeld daarvan is dat je van iemand die je eenmaal hebt ontmoet en gesproken, vrijwel àlles kunt vergeten: hoe die ander er uitzag, hoe die persoon heette, waar je deze medemens ontmoette, enz. enz – behalve het geslacht van die ander. Altijd onthouden we, of ’t een man of een vrouw was. Zou dit ‘geslachtsbesef’ misschien in ons lichaam zijn gepro- grammeerd, zou het in onze genen zijn gebakken, of in de ‘supra-chiasmatische kern’ in de hersenen? Of zou het erom gaan dat er in ieders lijf mannelijke en vrouwelijke krachten, yang- en yin-energieën aanwezig zijn en hangt het van de ba- lans tussen die twee af, hoe we ons voelen, waarop we gericht zijn en waarmee we ons identificeren? Innerlijk lichaam In beide gevallen wordt het gevoel dat je man of vrouw bent, kennelijk bepaald door ons lichaam en onze energiehuishou- ding daarin en -omheen. Zouden we tot dis-identificatie willen komen, tot het loslaten van alle ‘deel-identiteiten’ om onze ware of diepste identiteit te vinden, dan moeten ons lichaam en energieveld worden betrokken in dit proces van loslaten en jezelf transformeren. Naar mijn gevoel is dat het ook, waar logion 22 van het Thomasevangelie op duidt. Het wordt niet precies zo gezegd – waarschijnlijk noemt de auteur de woorden van Jezus daarom ‘geheim’ – maar door mijn persoonlijke ervaring met lichaamsgerichte, genezende meditatie ben ik ervan overtuigd geraakt dat de formuleringen in logion 22 en sommige andere delen van het Thomasevangelie heel lichamelijk zijn bedoeld. Niet dat de strekking zich tot het fysieke lichaam zou beper- ken; het lichaam komt in dit evangelie naar voren als deel van de eenheid ‘lichaam-ziel-geest’, als onderdeel van ons multidimensionele wezen. Want wie spreekt over ‘boven en beneden’ en over ‘binnen en buiten’ kan dat alleen doen vanuit een bepaalde plaats waar hij of zij is en de dingen beschouwt: een midden dat zich tus- sen boven en beneden in bevindt – in het lichaam dat op de aarde en onder de hemel staat. Vanuit ditzelfde lichaam kun je een onderscheid maken tussen ‘binnen’ en ‘buiten’, maar ook ervaren dat de huid geen grens om je heen is, zodat de ruimte binnen je lichaam en die daar omheen één zijn. Jos Stollman hanteert in zijn Thomasvertaling zelfs de ter- men ‘binnenkant’ en ‘buitenkant’ in plaats van ‘binnen’ en ‘buiten’. Hij legt e.e.a. uit als een oproep om heel te zijn, to- taal, zonder uiterlijke schijn – wees ‘naar buiten toe’ zoals je ‘van binnen’ bent, een soort psychologische interpretatie. Naar mijn gevoel hoort deze kant duidelijk bij het verhaal, maar dat neemt niet weg dat Jezus zich in ‘Thomas’ kennelijk heel lichamelijk uitdrukte. Bovendien gaat logion 22 verder met: “Dan maak je ogen in plaats van een oog en een hand in de plaats van een hand, en een voet in de plaats van een voet….” Volgens Van der Meer wil dit zeggen dat de mens zich een nieuw lichaam schept: “Er wordt werkelijk een nieuw lichaam geboren dat zijn zetel heeft in het aardse lichaam. Het aardse lichaam wordt tot stoffelijk omhulsel van het geestelijk lichaam.” (….) “Het innerlijk lichaam moet gevoeld worden, de geestelijke adem, de verborgen oer-eigen innerlijkheid.” De rechter- en de linkerhelft Jos Stollman duidt dezelfde passage als een oproep tot een nieuw waarnemen. Zo interpreteert hij de verwijzing naar an- dere ogen, andere handen en voeten – als een hint om te ko- men tot ‘een totaal vernieuwde visie op de werkelijkheid: een beeld in plaats van een beeld. Een totale, diep ingrijpende transformatie, dat is het binnengaan in het Koninkrijk,’ aldus Stollman in zijn boek Zenmeester Jezus.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=