Reflectie 5(2).vp
Mijn ziel dorst naar God - het onkenbare benoemen - Frank Inleiding In vorige artikelen in Reflectie is al ruime aandacht besteed aan Gods- en mensbeelden binnen judaïsme en christendom [1], min of meer ingeleid door een paar algemene artikelen over het huidige geestelijke en religieuze klimaat [2] en aan de toekomst van kerk en religie [3]. In het huidige artikel wil ik nagaan of het mogelijk is iets over God te zeggen, anders dan in Godsbeelden, zoals dat bin- nen jodendom en christendom door de eeuwen heen heeft plaats gevonden, tot op de dag van vandaag. Godsbeelden kunnen mogelijk wel uitgangspunten zijn om tot godskennis te komen, maar niet om tot Gods kennis te geraken. De bron van waaruit het kennen voort komt, is Godsbesef en -ervaring, en intuïtieve inzichten. Mocht het blijken dat iets zeggen over God wel mogelijk is, dan wordt daarmee God niet gekend, hoogstens zeer frag- mentarisch en dus zeer ten dele. Echt weten wie of wat God is, volgt daar niet uit Met de vraag naar God richt de religieuze mens zich op God, maar ondervraagt Hem niet zoals de wetenschap de na- tuur ondervraagt met haar experimenten. De antwoorden die de mens krijgt, komen uit een andere bron dan waaruit het verstand zijn wetenschappelijke kennis put. Toch houdt dat niet in dat de religieuze mens de werkelijkheid van God zon- der zijn verstand onderzoekt: het verstand, de rede, draagt bij aan de bewustwording van de Godservaring en intuïtie. We zullen nu eerst nagaan welke waarde en betekenis de Bij- bel in dit verband heeft, en of de wetenschappelijke benadering op wereld en werkelijkheid hierin een bijdrage kan leveren. Religie en wetenschap Wat de (natuur)wetenschap en de (christelijke) godsdienst be- weren, is niet met elkaar in tegenspraak. Dat kan ook niet an- ders, want er zijn geen aanrakingspunten, tenzij religie onte- recht wetenschap bedrijft, en wetenschap religie – en dat is vaak het geval. Een voorbeeld is het scheppingsverhaal in Ge- nesis, het eerste boek van de Bijbel. Dit is een religieuze tekst, hoewel sommige christenen het een wetenschappelijk tekst achten. De God die in Genesis de wereld schept, is niet de God die in de wetenschappelijke theorieën ontbreekt. Het is daarom een misverstand te denken dat de wetenschap het be- staan van God ontkent – wat de wetenschap, daarnaar ge- vraagd, vaak wel doet. Maar zij kan God niet ontkennen, om- dat zij er niet over kan spreken; ‘God’ is geen wetenschappe- lijk concept dat door onderzoek aan het licht is gekomen. God kan niet worden ‘onderzocht’. Zou de wetenschap wel een god ‘nodig hebben’ die aan de oorsprong ligt van het heelal, dan is deze god een fysische oorzaak, een kracht of energie, die een verklaring geeft van kosmologische feiten. Waar spreken wetenschap en religie dan over? Kort gezegd: wetenschap over de wereld, religie over God. En iets nader verwoord, richt wetenschap zich op de verschijnselen die zij met de zintuigen, al of niet met fysische hulpmiddelen, obser- veert en tracht te verklaren. Die verschijnselen zijn voorwerp van haar onderzoek, en vormen samen de wereld. Maar wat houdt het in, dat religie over God spreekt? God gaat schuil achter een ‘wolk van onwetendheid, van niet- weten’, zoals een niet met naam bekende middeleeuwse mysti- cus het uitdrukte . En alles wat wij zeggen over God, is God niet, benadrukte de Duitse middeleeuwse mysticus Meister Eckehart. Hij stelt nader dat God boven alle kennis is verhe- ven. Als er iets is wat we van hem denken te kennen, dan is God dat niet. God is dus onkenbaar. Opmerkelijk genoeg leert de R-K. Kerk anders, en steunt daarbij op haar eigen leer: ‘Onze moeder de Heilige Kerk leert, dat God door het natuur- lijke licht van het menselijk verstand met zekerheid gekend kan worden vanuit de geschapen werkelijkheid’. Eigenlijk kan religie zich niet uitspreken, in de zin van het doen van uitspraken of beweringen. Waar religie zich over uit- spreekt, zijn verwijzingen; zij verwijst naar het onzegbare. Zonder het te kunnen verwoorden, is het wel te ervaren. Om- dat in religieuze taal op dat waarnaar verwezen wordt zèlf geen nadruk wordt gelegd, lijken religieuze uitspraken op fei- telijkheden te slaan. Wanneer wordt beleden: ‘Er is maar één God, bestaande uit drie Personen, alle drie volledig God’, dan is dat geen rationele uitspraak, geen ‘laten weten’ hoe het is. Eerder looft de religieuze mens God, richt zich tot Hem, en bidt tot Hem, verlangt naar God. In de Psalmen bij voorbeeld vinden we daar uitingen van: Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God, wanneer mag ik nader komen en Gods gelaat aanschouwen? Ps 42:3 en in hymnen als: In God rust mijn ziel, die was en is; Die ‘t al omsloot en zal omsluiten; die grote God waar buiten niets was of wezen zal. VK liedbundel, gezang 169. De taal van de religies is die van mythen, van hymnen en ge- beden door middel van woorden, en van riten en sacramentele handelingen, die de sacrale werkelijkheid waarnaar zij verwij- zen zintuiglijk waarneembaar trachten te maken.
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=