Reflectie 5(2).vp

Ook God is in de religieuze taal niet definieerbaar, zoals liefde niet definieerbaar is, want daarmee zou het voelen en beleven tekort worden gedaan. Als we weten wat liefde en kracht is, en waarheid en licht (die alle uitdrukking geven aan menselijke ervaringen), dan is God geen liefde en kracht, waarheid en licht (om in woorden te spreken), want God ontstijgt of trans- cendeert dat totaal. Toch spreken we ons zó uit in onze V.K. akte van geloof. Zolang we beseffen dat religieuze taal alleen als verwijzingen naar God kan worden opgevat, en om eigen- schappen of aspecten van God te karakteriseren – al heeft God geen eigenschappen of karakteristieken, dan kan aan deze acte van geloof grote betekenis worden toegekend om ons nader tot God te voelen. De Bijbel De Bijbel, bestaande uit het Oude- en Nieuwe Testament, gaat terug op een mondelinge en schriftelijke traditie over een peri- ode van meer dan tien eeuwen, met alle culturele, taalkundige en sociale verschillen van dien. Al geeft het vaak wel die in- druk, het is geen geschiedschrijving. Bij het interpreteren van de Bijbelse geschriften is rekening houden met deze verschil- len, voor het goed verstaan, van groot belang. En bovendien, die geschriften dienen niet naar de letter te worden opgevat. Dat laatste zou in vele gevallen tot onmogelijkheden en tegen- strijdigheden voeren, en dat geldt niet alleen voor het Oude Testament, maar ook van de nieuwtestamentische evangeliën . Toch is in sommige stromingen binnen het christendom, met name de evangelische in de Verenigde Staten, een letterlijke interpretatie van de geschriften de norm. Het wordt daar onder meer toegepast op het scheppingsverhaal in Genesis, het eerste boek van de Bijbel . Dit houdt in dat de (natuur)wetenschap- pelijke bevindingen over ontstaan en ontwikkeling van het heelal, inclusief van de aarde, totaal worden genegeerd . De schepping kan dus nooit hebben plaats gevonden in zes dagen zoals in Genesis wordt beschreven, en evenmin op de beschre- ven wijze (Gen 1.1-2:4a). Minder expliciet, om niet te spreken over een letterlijke interpretatie, spreekt de R-K. Kerk zich uit over de ‘waarheid’ van de gehele Bijbel: ‘Alles wat de geïnspireerde schrijvers zeggen, moeten we beschouwen als door de Heilige Geest gezegd, en daarom ook moeten we aannemen dat de boeken van de Schrift vast, trouw en zonder dwaling de waarheid leren’ . Maar de Heilige Schrift – de gebruikelijke R-K. naam voorde Bijbel – wordt ook (!) veel genuanceerder benaderd in twee andere R-K. documenten, waarin verrassend genoeg wordt gepleit voor vrijheid in het verstaan van dogma’s en er wordt gesteld dat geloof en theologie aan verandering onder- hevig zijn in een veranderende wereld . Wanneer de Bijbel niet naar de letter moet en kan worden gelezen, en eerder in historisch, sociaal en cultureel opzicht moet worden bezien, hoe zou dan hèt boek van de christelijke religie moeten worden opgevat? Het bevat verwijzende beel- den, symbolen, riten en verhalen – verwijzend naar God, naar de mens – diens wezen, bestemming en diens ‘opdracht’. Het is als een bron waaruit geput kan worden om onze weg te vin- den tot God en tot ons diepste wezen en doel en betekenis van ons bestaan. De Bijbel is de bron waaruit alle devotie en gebe- den en eerbetoon, alle goede maar ook de slechte werken zijn voortgekomen; het is de bron waaruit ons Godsbesef is ont- staan, onze ontvankelijkheid voor de nabijheid van God door de werking van de Heilige Geest. Voortdurend – twintig eeu- wen lang – vindt (her)oriëntering van de Bijbelse teksten plaats, ook uitmondend in uiteenlopende geloofsbelijdenissen, beleden door miljoenen mensen in tientallen eeuwen. Nog steeds … . Joodse heilige geschriften en het Nieuwe Testament be- stonden eerst uit mondelinge uitspraken en verhalen; zelfs na- dat deze al opschrift waren gesteld. Voorkeur voor de monde- linge overdracht boven de schriftelijke was vermoedelijk de moeizame verspreiding van het opgeschreven woord, maar bo- vendien kon de mondelinge traditie zich gemakkelijk aanpas- sen aan gewijzigde tijden en de nadere inzichten over de bete- kenis van teksten. Aanvankelijk belangrijker dan de geschriften waren leefre- gels, zowel voor de Joden als de christenen. Die leefregels be- paalden de betekenis van de geschriften, die dus steeds werden geïnterpreteerd. Dat interpreteren vond al plaats van meet af aan, en dat gebeurde niet anders dan in de Joodse traditie – een Bijbelse tekst kan immers volgens die traditie op zeventig manieren worden uitgelegd! De commentaren en exegese op de Joodse heilige geschriften, de Midrasj , die voortdurend door de rabbijnen plaatsvindt, heeft zelfs een grotere gezags- waarde dan de Tenach , de Joodse Bijbel, zelf. Voor de christenen waren de Joodse heilige geschriften aanvankelijk alleen te begrijpen door deze als een allegorie te zien waarin alle gebeurtenissen en personen ‘typen’ werden van Christus uit het Nieuwe Testament. De evangelisten zelf verwezen al terug naar de Tenach en dat deden in navolging de kerkvaders. Zij gingen daar heel ver in, en ongefundeerd: elke profeet, elk oud geschrift, elk ritueel van het Oude Ver- bond wijst alleen naar Christus, kondigt alleen hem aan en gaat alleen over hem. Christus, de Logos, was al aanwezig in Adam. Dat allemaal meenden zij, de kerkvaders, bij monde van Eusebius, bisschop van Caesarea in Palestina, hij die een belangrijke rol speelde ten tijde van het Concilie van Nicea (325). Voor Origenes (185-254), die een eeuw eerder leefde, en hoofd was van de exegeseschool in Alexandrië, was Chris- tus begin – en eindpunt van alle exegese. Hij beschouwde de heilige Joodse boeken als een Midrasj op het Nieuwe Testa- ment. Het oudtestamentische Hooglied, bij voorbeeld, vatte hij niet letterlijk op als een liefdesgedicht maar allegorisch: het bracht er de diepere betekenis van. Het Hooglied beschreef de liefde van de bruid voor de hemelse bruidegom, van de vol- maakte ziel voor het Woord van God. Het beeld van bruid en bruidegom verwees naar de verhouding tussen Christus en de Kerk. Hiermee bouwde Eusebius ook voort op Paulus, die de liefde tussen man en vrouw al eerder vergeleek als die tussen Christus en de Kerk (Ef 5:23-32). Om in het Oude Testament een profetie te lezen van Jezus – een voorafschaduwing van hem en geschreven met hem in gedachte – negeert natuurlijk de historische situatie en de re- denen voor het schrijven van de geschriften door de oorspron- kelijke auteurs van het Oude Testament. Daarmee wordt de vroegere Bijbelexegese wel erg dubieus. Spreken over God Hierboven is al naar voren gebracht dat religie zich niet kan uitspreken in de zin van het doen van uitspraken of bewering- en. Waar religie zich over uitspreekt, verwijst naar het onzeg- bare, maar dat wel ervaarbaar is zonder het te kunnen ver- woorden. Dat geldt in het bijzonder over God. Hoewel spre- ken tot God – in gebed, loven en danken en aanbidden – heel

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=