Reflectie 5(2).vp

goed en zinnig mogelijk is, schiet spreken over God altijd te- kort; het is onmogelijk, zoals velen van meet af aan tot de dag van vandaag bevestigen. Volgens de vroege Joodse traditie kunnen we niets weten en niets begrijpen van God, al gaat het menselijk verlangen daar wel naar uit. In dat verre verleden – ruim tien eeuwen vóór het begin van onze jaartelling – vroeg Mozes al aan Jahweh Hem te mogen zien in de zin van te ken- nen. Hij hoort dan God antwoorden: ‘Mijn gelaat kunt ge niet zien, want geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven’ en nodigt hem, Mozes, uit: ‘Kom op deze rots staan. Wanneer mijn heerlijkheid voorbij- gaat zal Ik u in de rotsholte laten schuilen, en als Ik voorbij ga zal Ik u met mijn hand beschermen. Als Ik dan mijn hand te- rugtrek, kunt ge mij van achteren zien, want mijn gelaat kan niemand zien’. (Ex 33:18-23) In het betrekkelijk jonge christendom, in de tijd dat het ge- loof duidelijke vorm kreeg en de geloofsbelijdenis (van Nicea, 325) ontstond over God – in die tijd leefde één van de Cappa- docische kerkvaders, Gregorius van Nyssa. Hij was een vurig pleitbezorger van die geloofsbelijdenis, maar hij benadrukte dat de goddelijke natuur voor het menselijk verstand totaal onkenbaar is. God kennen is voor de mens onmogelijk. Zelfs van de fysische natuur kennen we de essentie niet; we weten niet wat de sterren zijn of wat een mier is, hoewel we beide kunnen zien. Hoe zouden we weten wat God is, ondanks de toch duidelijke ‘uitspraken’ gedaan over God in een geloofs- belijdenis . De al genoemde middeleeuwse mysticus beves- tigde vele eeuwen later, in de 14de eeuw, de onkenbaarheid van God. Hij schreef: ‘Alles waarover ik kan denken, laat ik achter me, en ik kies ervoor om te beminnen wat ik niet kan denken. Want God kan bemind worden, maar niet gedacht. Door liefde kan men hem vasthouden, niet door gedachten’. Hij concludeerde: ‘Wees er zeker van dat je in dit leven nooit een onbewolkt zicht op God zult hebben’. Al wordt steeds naar voren gebracht dat over God niet is te zeggen - alles schiet tekort, en zegt ‘Nicea’ immers in we- zen evenmin iets over God - wordt weer eeuwen later toch ge- meend over God te kunnen spreken. Het is in de 17de eeuw, aan het begin van de Verlichting die de rede primair acht, dat de Nederlandse filosoof Baruch Spinoza een abstract, ratio- neel beeld geeft van wat onder God verstaan kan worden: ‘de substantie die uit een oneindig aantal attributen bestaat, waar- van ieder een eeuwige en oneindige essentie tot uitdrukking brengt’. ‘Substantie’ is iets wat op zichzelf bestaat, en ‘attribuut’ datgene wat het wezen van een substantie vormt. God heeft een oneindig aantal attributen. Slechts twee daarvan noemt Spinoza: uitgebreidheid en het denken, in de héden- daagse taal zijn dat: materie en geest. Beide zijn ook attributen van de menselijke natuur: het uiterlijke en het innerlijke, of het lichamelijke en het geestelijke. Van God maken deze twee alleen deel uit van een oneindig aantal attributen. God is dus geest, maar geest is slecht één attribuut. Weer later, rondom de vorige eeuwwisseling, grijpt de Franse filosoof Henri Bergson terug op Augustinus (eind 4de eeuw) die zei ,dat als God lief- de is, Hij ook voorwerp van liefde is. Zijn beide uitspraken waar, of spreken zij elkaar tegen? Bergson stelde de intuïtie boven het verstand, en wees erop dat mystici een dubbele lief- de ervaren: de liefde die God is en de liefde waarvan God het voorwerp is. Die twee zijn aan elkaar gelijk. Het lijkt erop dat God toch weer, zoals in het prille christen- dom, wezenlijk kan worden gekend, en wel door en in liefde – door Hem gelijk te stellen aan liefde: God is liefde. Maar deze uitspraak houdt een beperking in, schiet weer hopeloos tekort: God is veel meer dan liefde. En zoals eerder is gezegd, religie kan zich niet uitspreken, in de zin van het doen van uitspraken of beweringen. Waar religie zich over uitspreekt, verwijst naar het onzegbare, zonder het te kunnen verwoorden. Dat onzeg- bare, God, is wel te ervaren – de mystici overkomt het. We zullen even stil blijven staan bij de liefde. God is liefde (?) De apostel Johannes schrijft in een van zijn brieven: ‘God is liefde. Wie in de liefde woont, woont in God en God is met hem ‘.Wie niet liefheeft kent God niet, want God is liefde’ . Ook de huidige paus schrijft over de liefde, en citeert Jo- hannes in de titel van zijn eerste encycliek (2006): God is Liefde – Deus Caritas. Nu spreekt Jezus nergens over God als liefde. Hij spreekt wel over de liefde. Wanneer Jezus wordt gevraagd wat van alle geboden het belangrijkste is, dan geeft hij de kern van de Wet (of Onderricht) van het Judaïsme. ‘Luister Israel: de Heer, onze God, is de enige Heer. Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.’ En vervolgt met: ‘Het op één na belang- rijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf”. (Mc 12:29-31). Maar hij gaat nog veel verder door toe te voegen: ‘Heb je vij- anden lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jul- lie werkelijk kinderen van je Vader in de Hemel’ (Mt 5:39). Maar om, met de apostel Johannes en met de paus, God weer gelijk te stellen aan liefde, is het onzegbare – God – toch niet verwoord. We zullen het hopelijk beter en meeromvat- tend kunnen doen door terug te gaan tot een tiental eeuwen vóór het begin van het christendom. De wezenlijke ‘naam’ van God In het oudtestamentische boek Exodus wordt, in heel reële be- woordingen, een Godservaring weergegeven van Mozes, de lei- der van de Israëlieten. Als hij afgaat op een in vlammen staande doornstruik die niet verbrandt, hoort hij God hem roepen: ‘Mozes, Mozes’. Hij krijgt dan de opdracht zijn volk uit Egypte te leiden, maar vraagt God wat hij moet zeggen als zij willen weten wie hem naar hen stuurt. ‘Toen sprak God tot Mozes: “Ik ben die is” ‘. En Hij zei:’Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: “Hij die is, zendt mij naar u” ‘.(Ex 3:4; 3:13,14) De naam waarmee God zichzelf aan Mozes voorstelde – Ehyeh asher ehyeh – hierboven weergegeven als ‘Ik ben die is’, bevat een werkwoord dat zowel ‘zijn’ als ‘zullen zijn’ kan betekenen; grammaticaal is de werkwoordsvorm in de eerste persoon enkelvoud en in de tegenwoordige (mogelijk toekom- stige) tijd; dus ‘is’ (of ‘zal zijn’). De naam waarmee God zich- zelf aan Mozes voorstelde wordt zeer verschillend uit het Hebreeuws vertaald: ‘Ik ben die ben’ (variant van bovenstaande), ‘Ik ben de zijnde’ , ‘Ik zal zijn die ik zijn zal’ , ‘I am that I am’ , ‘I am who I am’ , en wat verder: ‘I am’ has sent me’ , ‘Ik ben die er zal zijn’ ,

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=