Reflectie-18.vp

plaats gevonden; maar de niet in de Bijbel opgenomen teksten – veelal van gnostische aard – zijn wel ten dele en vaak indi- rect bekend. Daaruit kan in de huidige tijd aan de huidige Bij- bel worden toegevoegd; dat zou een verrijking zijn van het christelijke erfgoed en mogelijk een vernieuwing van het christendom inluiden. Maar tot nu toe – ondanks uitgebreid onderzoek hiervan, ook door theologen – zijn de bevindingen van het Bijbelonderzoek nauwelijks doorgedrongen tot de Kerken. Een mogelijke vernieuwing van het christendom, als die er komt, zal langs deze weg wel erg aarzelend komen. Maar de tekenen zijn er. Het loont de moeite na te gaan of dat reëel is door te onderzoeken hoe de Bijbel is ontstaan. Daar- over hieronder meer. Hoopvol, maar met enige aarzeling, kan de verwachting worden uitgesproken dat door het meer en meer bekend worden van de vroegchristelijke stromingen en van de geschriften, ver- worpen bij de uiteindelijke vaststelling van de canon van de Bij- bel, een renaissance van het Christendom ontstaat in de Wes- terse samenleving. Het klimaat daarvoor is gunstig, dat we met enige overdrijving en met speciaal ons land in gedachte, spiritu- eel kunnen noemen. Een groot percentage immers van de jon- gere generatie, zo’n veertig procent, acht zich spiritueel. Het volgende gaat in op die onderdrukte, vroegchristelijke stroming. Het ontstaan van de Bijbel en de canon van de bijbelse geschriften. Zoals eerder gezegd: het Christendom is een religie van het boek: de Bijbel, ook genoemd de Heilige Schrift (in de katho- lieke traditie) of het Woord Gods (in de reformatorische tradi- tie). Het geloof en de liturgie van de erediensten zijn vrijwel uitsluitend gebaseerd op de Bijbel. De Bijbel bestaat uit de Hebreeuwse geschriften – het Oude Testament – en de zevenentwintig boeken van het Nieu- we Testament. We zullen ons in het volgende voornamelijk tot dit tweede deel van de Bijbel beperken, hoewel ook veel te zeggen zou zijn over (het ontstaan van) het eerste deel, dat im- mers deel uitmaakt van de (christelijke) Bijbel. Het Nieuwe Testament is over een lange periode in het be- gin van het Christendom samengesteld en gekozen uit vele in omloop zijnde geschriften van verschillende aard: evangeliën, pastorale brieven, openbaringen van de apostelen, van met naam bekende en geheel onbekende schrijvers of redacteuren. Het betreft mondelinge of schriftelijke overleveringen, verschei- dene daarvan waren al van meet af aan gezaghebbend. De crite- ria voor verwerpen of insluiten binnen de canon is bekend. Het ontstaan van het Nieuwe Testament is goed te volgen aan de hand van de vorming van de nieuwtestamentische ca- non , het geheel van de kerkelijk erkende Bijbelboeken; daarover is veel gepubliceerd . Het doel van de canon was het zich wapenen tegen de ‘dwaalleer van de ketters’ en het vastleggen van eigen we- zenskenmerken van het geloof, of in ruimer verband van het Christendom. Dus werd beoogd het onderscheid vast te stellen tussen dwaalleer en leer. De canon ontstond grotendeels in de periode 150-220 n. Chr, maar werd pas veel later geheel afgerond. Het Westen was veel sneller in het vaststellen daarvan dan het Oosten, en de Syrische Kerken kwamen er minstens pas een eeuw later aan toe. Aanvankelijk was alleen de Joodse Bijbel canoniek en daar- mee gezaghebbend. (De Joodse Bijbel kent overigens ook een lange ‘canongeschiedenis’). Toen werd ook de schriftelijke èn mondelinge overlevering over Christus gezaghebbend, hoewel nog lang niet vast omlijnd. De schriftelijke overlevering om- vatte aanvankelijk de evangeliën van Marcus, Mattheüs en Lu- cas (tweede helft van de eerste eeuw) en van Johannes (het eind van de eerste, begin tweede). Bovendien behoorde vele later zo genoemde apocriefe evangeliën ertoe, onder meer uit gnostieke kringen, onder de naam van een van de apostelen. Het bevatte vele, ook letterlijk fantastische overleveringen, waaronder jeugdverhalen over Jezus. Uiteindelijk – eind 4 eeuw – werd de Canon geheel afge- rond en afgesloten, en werden de huidige boeken gesanctio- neerd door de kerkvaders, in synodevergaderingen van Nicea en Constantinopel. Daarmee was de Canon van de Bijbel, van het Nieuwe en het Oude Testament, eens en voor altijd (?) vastgesteld. Sinds eind 4 eeuw, toen de Bijbel dus haar huidige vorm en inhoud had gekregen, zijn er nauwelijks vragen aan de orde gesteld ten aanzien van het aantal en de identiteit van de Bij- belboeken, zelfs niet in de perioden van Renaissance en Refor- matie. In die perioden werden wel enkele discussies gevoerd over het auteurschap van de Hebreeënbrief, en ook over enk- ele van de algemene of katholieke brieven en het laatste boek Openbaring. Verder achtte Maarten Luther een viertal nieuw- testamentische boeken inferieur (Hebreeën, Jakobus en Judas en Openbaring), en werd eind 17 eeuw een boek gepubli- ceerd dat zeer opzien baarde. Daarin werd de heiligheid van de Heilige Schrift, het Woord Gods, ter discussie gesteld. Geen goddelijke openbaring behoefde daaraan ten grondslag te lig- gen, want de grondideeën van het Christendom die op de Bij- bel zijn gebaseerd, kunnen geheel uit de rede worden afgeleid. Het boek werd veroordeeld door de Grand Jury van Middle- sex, en publiekelijk in Dublin verbrand in opdracht van het Ierse Parlement. Sindsdien is het stil geworden over de canon van de Bijbel. Er is wel een uitgebreid en diepgaand kritisch bijbelonderzoek op gang gekomen, tot op de dag van vandaag. Maar aan de canon is niet getornd. De laatste tijd is er wel discussie gevoerd binnen het Wester- se Christendom – zonder gevolgen – of de Bijbelse canon een open of gesloten canon is, dat wil zeggen of aan de canon nieu- we geschriften kunnen worden toegevoegd of zelfs verwijderd. Geschriften die buiten de canon zijn gehouden De teksten en verwijzingen van de vele niet in de canon opge- nomen geschriften zijn bekend via de orthodox christelijke be- strijders daarvan. Sommige geschriften waarnaar werd verwe- zen, zijn veel later – in de 19 en 20 eeuw – gevonden, vaak zeer fragmentarisch. Daartoe behoort de belangrijke vondst in 1945 van de z.g. Nag Hammadi bibliotheek . Die bevat o.m. het Evangelie der Waarheid, waarvan de auteur vermoedelijk Valentinus is, het evangelie van Thomas (eerder en verzame- ling wijsheidspeuken), de evangeliën volgens Filippus en vol- gens Maria (Magdalena) dat niet tot de HM geschriften be- hoort, en het evangelie der Waarheid (eerder een reeks medita- ties). Maar ook bevat de ‘bibliotheek’ openbaringen, naast die van Johannes ook van Paulus, Jacobus en Petrus, evenals de handelingen van Petrus en de twaalf apostelen als aanvulling op het Bijbelboek Handelingen (van Lucas). Duidelijk gnosti- sche geschriften hiervan zijn:

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=