Reflectie-18.vp
In dit kader is met name het historisch-kritisch onderzoek naar het begin van de Bijbel interessant. Wat weten we over het ontstaan hiervan? Als je weet in welke tijd, in welke context een bepaalde tekst is ontstaan, kan de bedoeling daarvan ook duidelijker worden. Daarom is het fascinerend te ontdekken dat het eerste hoofdstuk van de Torah met de zeven scheppingsdagen pas op het einde van de Babylonische ballingschap (587 – 538 BC) in de picture kwam. Moderne wetenschappers zijn het er over eens dat dit prachtige gedicht pas aan de Bijbel werd toege- voegd toen de ‘vijf boeken van Mozes’ bijna hun definitieve vorm hadden gekregen. De eindredacteuren beslisten pas toen dat deze tekst, een oude Priestercodex, het begin moest vor- men van de Torah. Daarmee kreeg dit hoofdstuk een heel spe- ciale betekenis. Een betekenis die overigens niets te maken had met een onderzoek naar de evolutie van de soorten op deze aarde. Waarmee dan wel? Historici schetsen het volgende scenario. Op het einde van de pijnlijke Babylonische ballingschap ontstaat er een gevoel van verlossing uit het lijden binnen de Joodse gemeenschap. Cyrus, de koning van de Perzen heeft de Babyloniërs over- wonnen en kondigt een mogelijke terugkeer van de Joden naar hun land aan. Het ongelooflijke gebeurt. Er is grote vreugde. Deutero-Jesaja noemt Cyrus zelfs extatisch ‘de gezalfde van de Heer (Jesaia 45,10)’. In de opvatting van de Joden blijkt de God van Israel nu richting te kunnen geven aan de wereldrij- ken van de Babyloniërs en de Perzen. Dan moet de God van Israel ook wel de Heer van de hele schepping zijn! Op dat moment valt het oog van de eindredacteuren van de Torah op een oude tekst uit een vreemde Priestercodex die dit prachtig uitdrukt. Zij wijzigden er wat aan en plaatsten deze tekst als Gen 1-2.3 aan het begin van de Bijbel. Een duidelijk statement. De Bijbel begint nu met een loflied op God en op het goede van de schepping. En maakt meteen ook duidelijk ook hoe goed het is dit in herinnering te houden door op elke zevende dag te rusten. In princiep is alles goed Het eerste wat opvalt als je Gen 1-2.3 onbevangen leest, is dat het geen geschiedenis wil schrijven. Het gaat niet om het ont- staan van de soorten. De priester bezingt drie grote ruimtes die voor de mens zichtbaar zijn: ten eerste het kosmische hemel- gewelf, vervolgens de lucht en het water en tenslotte de aarde met de planten. Deze ruimten waren eens chaotisch, maar God schept er orde in om er een echte leefruimte van te maken. Dat doet God in de eerste drie dagen. Daarna worden er bewoners in deze leefruimten geplaatst. In het hemelgewelf zijn dat de zon, de maan en de sterren. In de lucht de vogels en in het water de vissen. En ten slotte op de aarde de dieren en de mens. Dit gebeurt respectievelijk op dag vier, vijf en zes. Geen geschiedschrijving dus. Een open blik voor de natuur zoals die zich voordoet. En met de zienersblik dat alles in de hemel en op aarde geordend is door God en daarom goed is zoals het is. Zonder deze ordenende kracht van God, zou alles chaos zijn. Er wordt hier dus niet gezegd dat God degene is die alles uit het niets tevoorschijn roept en daarna buiten zijn eigen cre- atie verder bestaat, zoals ‘creationisten’ ons willen doen gelo- ven. God is hier niet degene, die alles uit het niets zou hebben voortgebracht. Hij schept orde in de chaos en vergroot zo de bestaansvreugde van alles wat op aarde bestaat. Deze visie wordt momenteel ondersteund door christelijke ‘procestheologen’ als Peacocke e.a. (9). Procestheologen gaan daarbij ook nog een stap verder : God is niet alleen degene die de chaos eens heeft overwonnen en zich daarna heeft terugge- trokken. Nee, Hij gaat voort met de verdere ontwikkeling en ontplooiing van al het bestaande. Bij voortduring is Hij in al het gebeuren te vinden. Procestheologen sluiten hierbij aan aan de oorspronkelijke betekenis van het Hebreeuwse woord ‘beres’jiet’, wat wij ver- talen met ‘in het begin’. Het Hebreeuwse woord heeft name- lijk een dubbele betekenis. Het kan ook betekenen ‘in princiep’. Dat zou ook een vertaling zijn die beter aansluit bij de bedoeling van de schrijver: In princiep is alles goed. In princiep is de wereld, zoals die door God voortdurend uit de chaos wordt geordend, ‘tov’, goed. Door dit goddelijke, orde- nende princiep is alles goed zoals het is. Evolutie door emanatie In de Koran vinden we teksten die ook aangeven dat het om een voortdurend scheppen van God gaat. Zo wordt er in Soera 29:19 gezegd: ‘En hebben zij niet gezien hoe God de schep- ping voor de eerste maal in aanzijn brengt en haar daarna doet wederkomen? Dat is voor God waarlijk gemakkelijk.’ En wat de schepping van de mensen betreft, zegt de Koran in Soe- ra 39:6 ‘Hij schept u in de schoten van uw moeders, schepping na schepping in drie duisternissen.’ Met ‘duisternissen’ wor- den hier dan bedoeld: de buik, de baarmoeder en de placenta. In deze diepte van de materie schept God voortdurend een nieuwe mens. Hoe? Christelijke ‘procestheologen’ proberen al zoekend naar woorden hier helderheid over te geven. Voor hen is God niet alleen voortdurend ‘aanwezig’ bij het gebeuren in de we- reld, maar ook – om een nieuw woord te gebruiken – ‘inwe- zig’. Onverkort tracht men Gods werkzaamheden in het pro- cesgebeuren te zien als immanente, creatieve activiteiten die gebonden zijn aan de fundamentele wetmatigheden van de kosmos. In gewoon Nederlands gezegd: God verbreekt geen natuurwetten. Zijn alomtegenwoordige aanwezigheid is een immanente creativiteit. Hij is de Bron en in alles wat bestaat is dit levend water van de Bron te herkennen. Op deze manier komen zij heel dicht bij wat de gnostici vanuit hun innerlijk weten als zekerheid mochten ervaren: de evolutie van het heelal en het leven is een uitvloeiing, een emanatie van de Bron. Essentieel hierbij is dat de eigen we- zenheid van de Bron aanwezig is in alle emanaties. Elke ema- natie kent daarbij natuurlijk wel een eigen vorm. Een voorbeeld dat vaak gebruikt wordt, is dat van een reeks bergmeertjes die steeds lager liggen en elkaar voeden met water. Ieder meer heeft zijn eigen kleur en vorm, en toch is het water zowel in de hoogste regionen als in het laagste meertje aanwezig. Een mens, als geestelijk wezen, draagt dat levend water als bewustzijn in zich en is er tegelijk een be- paalde uitdrukking van. Het water (bewustzijn) is universeel aanwezig in alle emanaties. Steeds gaat het over in een volgen- de emanatie. Steeds is het in nieuwe vormen aanwezig. In de mystieke stromingen van de kabbala en soefi’s vin- den we hierover veel informatie. Hoe we uit God voortkomen en de weg naar God terug kunnen vinden. Dit is tevens de kern
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=