Reflectie 5(4) winter 08.vp

In het tweede scheppingsverhaal komt de naam “God” niet meer voor en verschijnt de naam “Here God”. In het kader van dit artikel is het niet van belang daar verder op in te gaan, al is dat een belangrijk gegeven. En de Here God ging ertoe over de mens te vormen uit stof van de aardbodem … (Gen 2:7a) Het lijkt erop, dat hier de lichamelijke mens wordt gebo- ren, dat de mens zijn / haar lichaam krijgt, maar het gaat eer- der om een voornemen, een begin maken met ‘vormen’ (ma- ken). Dat kan verderop duidelijk worden in een ander vers, maar ik houd liever de gegeven volgorde van de verzen aan. In elk geval is het door dat gedeelte van vers 7 duidelijk, dat het nu niet meer gaat om het geestelijke Wezen van de mens. De ‘Geest’ is er reeds (Gen 1). Vers 7 gaat verder: … en in zijn neusgaten de levensade m te blazen, en de mens werd een levende ziel. We zouden kunnen zeggen, dat het lichaam er dan dus al moet zijn (neusgaten, adem). Maar we kunnen vers 7 eigenlijk zien als een samenvatting van wat er gáát gebeuren. Wel wordt hier de “Drievuldigheid Mens” aangegeven: Geest (Gen 1), ziel en lichaam (Gen 2); de “indaling” van God als de Here God in de mens. De Here God als ’s mensen Heer, zijn Mees- ter, zijn Begeleider. Wat een geschenk! Het 12de Woord Gen 2:18: Verder zei de Here God: ‘Het is niet goed dat de mens alleen blijft …’. Wil de mens existeren, dan kan dat niet met alleen maar zijn Geest (Gen 1), de mens heeft “voeten op aarde” nodig; dus: Ik zal een hulp voor hem maken, als zijn tegenhanger. Het woord ‘tegenhanger’ kan vanuit de oorspronkelijke taal ook ver- taald worden met “die bij hem past” en met “die hem aanvult”. Letten we erop, dat er staat: ‘mens’, niet ‘man’. Hier kan niet bedoeld zijn de vrouw te gaan scheppen, maar het mense- lijke lichaam als tegenhanger van de menselijke Geest. Man en vrouw als ‘de Mens’ bestaan al (Gen 1). Daarom deed de Here God een diepe slaap op de mens val- len, en terwijl hij sliep, nam hij één van zijn ribben en sloot toen het vlees over die plaats toe. (Gen 2:21). Letten we er weer op, dat er ‘mens’ staat en (nog) niet ‘man’. Vooruitlopend op vers 22 kan hier al gesteld worden, dat de mens belichaamd wordt. Maar eerst wordt de mens nog in een diepe slaap gebracht. In de Hebreeuwse woorden ‘diepe slaap’ ligt een verband met het woord ‘neerdalen’. De mens wordt in een andere (aardse) wereld geplaatst. Hij wordt “uitgezet”, de méns – man- nen en vrouwen – gaat existeren in de wereld. En wat is er met die ‘rib’? Die (Hebreeuwse) rib is één van de zijden (aanzichten) van de mens, hoe we die ook noemen willen: rechts, “vrouwelijk”, schaduw, water, of stof. En die “rib” werd tot iets afzonderlijks gebouwd (zie vers 22) en voor het weggenomene kwam ‘het vlees’. De mens wordt belichaamd. De geboorte van de vrouw of van het lichaam? Maar dan dat op het eerste oog vreemde vers 22: Daarna bouwde de Here God de rib die hij uit de méns had genomen tot een vrouw en bracht haar tot de mens. Dat vers is voer voor velen, ook binnen godsdiensten, die er de opvatting op na houden van de ongelijkwaardigheid van de vrouw t.o.v. de man, en wel vanuit de letterlijke woorden in dat vers. Die gedachte kan nog eens versterkt worden door vers 23: Toen zei de mens:’Dit is eindelijk been van mijn gebeente. En vlees van mijn vlees. Deze zal Mannin worden genoemd. Omdat deze uit de man werd genomen. Maar voor velen zijn voorgaande verzen ook voer om die- per te graven dan een letterlijke tekst, en wel vanuit de beteke- nis die (in ménselijke bewoordingen) gegeven moet worden aan die begrippen in de oorspronkelijke taal. De ‘rib’ werd uit de mens genomen, en ‘de vrouw’ werd tot de mens gebracht (vers 22). En in vers 23 ziet de mens het onderscheid tussen ‘de man’ en ‘de mannin’. We kunnen het kort houden: in die verzen is er geen sprake van een fysieke, geslachtelijke vrouw, noch van zulke man. Vrouw en man zijn beiden de mens uit wie de “rib” werd geno- men. Wat er met “vrouw” wordt bedoeld, is het lichaam van de mens, is de uitdrukking van de “vrouwelijke” zijde van élk mens (zowel van vrouw als man). In de oorspronkelijke, sym- bolische taal staat “vrouw” en “vrouwelijk” voor het lichaam en het lichamelijke. “Man” en “mannelijk” staat voor geest en het geestelijke. We kunnen het wel betreuren, dat die termen vanaf den beginne zo gekozen zijn, maar wat meer te betreuren valt, is dat we er maar zo moeilijk vanaf komen om die spirituele ter- men steeds ‘stiekem’ te betrekken op de fysieke man en vrouw. Over vers 23 dan nog even dit: van dat afzonderlijke lichaam, die “vrouw” die hij gekre- gen heeft, zegt de mens (man en vrouw), dat hij weet en voelt dat het van hem is, dat het behoort tot zijn existentiële bestaan. Vers 23 spreekt een blijdschap uit, vanuit het gegeven dat de mens blijkbaar weet, dat zijn lichamelijke bestaan (“vrouw”) uit zijn geestelijke Wezen (“man”) voortkomt. Daardoor kan de mens ook beseffen wat scheiding bete- kent en dat zijn lagere aard een eigen weg kan gaan, waardoor de mens tevens beseft dat er hereniging, eenwording dient plaats te vinden: Eén “vlees” worden. Zo beneden, zo Boven. Literatuurverwijzing: * “De letters van het leven – het wezen van het Hebreeuwse alfabet”, F. Weinreb. Ankh-Hermes, Deventer, z.j. * “De Bijbel als schepping”, F. Weinreb. Servire, 1986, 5 druk. * * *

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=