Reflectie 5(4) winter 08.vp

vallen ziel, als de Gezalfde, de hemelse; de aardse en de god- delijke Messias. De betekenis van de 9, de Teth, is veeleer “het dubbel”. En een ‘dubbel’ kunnen we ook een ‘evenbeeld’ noemen, (dubbelganger). Het pictogram [zie afbeelding] van de He- breeuwse 9, de Teth, is het beeld van een baar- moeder (met embryo), maar dan met de ope- ning naar bóven gericht! En die pictografische voorstelling van de letter is een combinatie van de letters ‘Zajien’ (het linker gedeelte) en de ‘Kaf’, (het rechter gedeelte van de ‘Teth’). In die ‘Teth’ dus een ‘links’ en een ‘rechts’, een ‘dubbel’, een soort ‘Wij’ dus. “Laten WIJ de Mens maken …”, een ‘Wij’ in de éénheid van de baarmoeder, een “mannelijk” en een “vrou- welijk” in de éénheid van de baarmoeder. Een Wezen dat uit Zichzelf kan baren, zonder tussenkomst van een tweede; niets fysieks dus in dat baren. In vers 26 wordt gesproken over de Mens maken (Wij, meervoud), maar in vers 27 staat: “God (één, enkelvoud) ging ertoe over de Mens te scheppen . In vers 26 spreekt God als het ware tegen zijn Schepping. Het ‘voornemen’ de mens te maken (vs. 26), leidt eerst tot het scheppen van de Mens (vs. 27), het geestelijke Wézen van de mens, het baren van de Mens als evenbeeld Gods; geen lijf- elijke mens dus nog. ‘Maken’ heeft te maken met een voortdu- ren van een handeling, ‘scheppen’ met een (goddelijke) ge- dachte, de Idee, het Wezen dat “gedacht” is. En dat Wezen is een Evenbeeld, een “dubbel” van God. En dát wordt gescha- pen “in Genesis 1”. Het “maken” komt in Genesis 2. Vers 27 (Gen 1): “En God ging ertoe over de Mens te scheppen , naar Zijn beeld schiep Hij hem”. Hem, dé Mens. De Mens, een hem, een ‘enkelvoud’, noch man noch vrouw. Als er sprake geweest zou zijn van man(nen) en vrouw(en), dan had hier HEN gestaan. Maar er staat: ‘hem’. De Mens, een ‘hem’, met twee zijden: een ‘linker’ en een ‘rechter’ (zie de Teth). Het WEZEN Mens wordt hier gescha- pen, naar Gods beeld, en dat is geen lichamelijk iets. Maar dan volgt in vers 27, ná dat “hem”: “ als man(nelijk) en als vrouw(elijk) schiep Hij hen. Waar komt plots dat “hen” vandaan? Er is toch sprake van een “hem”! God schiep toch geen twee soorten mens! Hij schiep het menselijke Wezen, met twee zijden, twee aanzich- ten, maar androgyn, met het ‘mannelijke’ en het ‘vrouwelijke’ in zichzelf, met het Zelfbarende in zich. Er is hier m.i. geen sprake van een belichaamde mens, maar van ’s mensen Géést, de Mens als eenheid nog, beeld Gods immers. Zo schrijft Mgr. Frank in het voorgaande arti- kel: “Dat in het eerste scheppingsverhaal van de mens geen materie te pas komt, pleit voor de idee dat het wezen van de mens gelijkenis vertoont met God; en dat de geslachtelijkheid niet behoort tot het wezenlijke”. Als het hier om het Wezen van de mens gaat, geldt dat dus zowel voor de mens ‘man’ als voor de mens ‘vrouw’. Ook dit “dubbel” (man – vrouw) is zoals alles in de schepping gege- ven vanaf den beginne; scheppingsdaden leiden steeds tot een dubbel, een tweeheid. Kwadratering Na deze ‘brutale’ stellingen gaan we nog even verder met het 10de Woord Gods, in vers 28 (Gen 1): … God zei tot hen: ‘Weest vruchtbaar en wordt tot velen en vult de aarde en onderwerpt haar …’ Ik maak daar nu maar meteen van: ‘God zei tot he m …’, de Mens. En verder dan – nu volgens de Statenbijbel - : “Weest vruchtbaar en vermenig- vuldigt u”. Het woord ‘weest’ duidt hier evenmin op een noodzakelijk meervoud. God spreekt tot zijn “dubbel” met de aanspreking “U”, zoals in vers 29 (Gen 1): “Ziet, ik heb U alle zaaddragen- de plantengroei … gegeven. U diene het tot voedsel”. God ( in Genesis 1) spreekt niet tegen een klomp aarde, maar tegen zijn eigen evenbeeld. Maar hoe zit dat dan met de opdracht “weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u”, als het wezen van de Mens nog niet be- lichaamd is? Het 9 Woord, de letter Teth geeft, zoals gezegd, het beeld van de baarmoeder met de opening naar boven, in de richting van de “hemel”, van het goddelijke. Reeds Pythagoras zag de betekenis van het geestelijk vruchtbaar zijn door vermenigvul- diging, in zijn stelling a² + b² = c² . In dit artikel voert het te ver daar nu op in te gaan, maar er is sprake van een opdracht tot ‘kwadratering’. Het betekent zoveel als het zich verheffen tot een hogere macht van de twee aanzichten van de geestelij- ke mens om tot éénwording te komen, verbeeld in die ‘mannelijke’ en ‘vrouwelijke’ zijden (3 en 4), ‘links’ en ‘rechts’ in het wezen Mens om tot de geboorte van het kind (5), de nieuwe Adam te komen. Er is in vers 28 geen sprake van lichamelijke voortplan- ting, maar van ontwikkeling, van het kwadrateren van het Zelf in de mens, het “kind Gods” (5) te ontwikkelen tot “zoon Gods” (5²). Het begrip ‘Zoon’ heeft dan al vanuit Genesis 1 niets te maken met een lijfelijke man of vrouw. En dan gaat vers 28 verder met: “… en vervult de aarde en onderwerpt haar …”, wat voor de Mens betekent: het aardse te (ver)vullen met zijn Geest Gods en het aardse te onderwer- pen aan die Geest, Meester te zijn / worden over het lagere. Kortom: er is sprake van een ‘geestelijke’ vruchtbaarheid en van geestelijk “talrijk” worden, tot “veel” worden. Geen 12 Woord in Genesis 1 In vers 29 spreekt God dan het 11 Woord, waarin het “zaad-dragende” gegeven wordt aan de Mens: “U diene het tot voedsel”. Een 12 Woord wordt niet meer gesproken, terwijl die “12” toch een bekende, symbolische betekenis heeft. Zo zijn er o.a. de 12 tekens van de dierenriem, de 12 uren van de dag, de 12 van de nacht, de 12 apostelen, de 12 stammen, zelfs het dozijn én de kwadratering daarvan tot het gros, 144, de 144.000 getekenden. Zo ook de getallen voor het ‘mannelijke’ (3), het ‘vrouwelijke’ (4) en het ‘kind’ (5), samen 12. Geen 12 woord nog, nog geen belichaming van de Mens. Dat gebeurt in Genesis 2. II. De geboorte van de mens als existentieel wezen In de eerste drie verzen van Genesis 2 wordt Genesis 1 als het ware nog even afgesloten. En dan begint met vers 4 een nieuw, ander scheppingsverhaal. Er kan een gevoel van ver- warring ontstaan, als we Gen 1 en Gen 2 met elkaar vergelij- ken, omdat er vaak tegengestelde mededelingen voorkomen. Zo kan ook de volgorde van de verzen in Genesis 2 nogal verwarring wekken.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=