Reflectie 6(1) voorjaar 09.vp

Lijden, Dood en Opstanding Over het Bewustzijn dat blijft Ojas Th. de Ronde Met het beeld van Jezus, stervend aan het kruis voor onze zonden, heb ik eigenlijk nooit goed raad geweten. Voor veel mensen blijkt dat eveneens een vreemd en niet reëel dogma. In mijn geval hangt het samen met een goed bedoelde, maar uiterst pijnlijke gebeurtenis uit mijn jeugd. Op een dag had ik iets gedaan wat niet mocht en mijn vader nam mij mee naar de Rooms-Katholieke Kerk. Achter in de kerk hing een grote koperen Jezus aan het kruis met doornenkroon, gewond en kronkelend van de pijn. Mijn vader, die veel van me hield en me kennelijk iets belangrijks wilde leren, wees ernaar en zei: “Kijk, dat heb jij gedaan”. Ik was ontzet en kon niets zeg- gen. Mijn vader zei: “Dat is Jezus. Hij is de Zoon van God en gestorven voor onze zonden. Voor die van mij en ook voor die van jou. Laten we tot hem bidden”. We hebben gebeden, ik met tranen in mijn ogen, en zijn zwijgend de kerk uitgegaan. Het beeld bleef me achtervolgen. Ik kon het niet begrijpen. Was het zo erg wat ik had gedaan? Had Jezus dat geweten? Waar- om moest hij dan zoveel lijden? Wilde God dat? Wat voor een God was dat dan wel? Ik kon het niet geloven en werd tegelijk ook bang. Als we naar de kerk gingen en we langs het beeld liepen, voelde ik me in de gevarenzone. Terwijl anderen vroom bij dat beeld baden, bleef ik uit de buurt en was blij dat we weer buiten waren. In mijn puberteit had ik een keer een goed gesprek met mijn vader. Ik vroeg hem toen op de man af waarom hij dit toen zo te- gen mij gezegd had en of hij dit wel zo zeker wist. Wist hij zeker dat Jezus dit gezegd had? Had Jezus gezegd dat alle mensen, ook al die miljarden die na Hem nog zouden ko- men, vanwege hun zonden de dood verdienden? Dat alleen zijn vreselijke dood ons daarvan zou bevrijden? En dat wij pas be- vrijd zouden kunnen worden als wij in Hem zouden geloven en gedoopt zouden worden? Ik herinner me dat mijn vader me wat onzeker aankeek en toen zei dat dit in ieder geval het geloof van de Kerk was waarin hij vast geloofde. Dat het daarom ook maar goed was dat een ongeboren kindje van een tante, in ieder geval nog gedoopt was. Anders zou het reddeloos zijn verloren. Ik wist dat mijn vader hiermee in een lange, christelijke traditie stond. Een traditie die zijn waarde had bewezen. Maar voor mij was het op dat moment niet te verteren. Het was ook het moment waarop mijn besluit viel om dit helemaal uit te zoeken. Daar heb ik gelukkig de kans voor gekregen. Onderzoek naar de feiten Ik trad in bij een strenge, Franciscaanse orde, de Kapucijnen ofwel ‘fratres poenitentiae’, waar traditioneel ‘plaatsvervan- gend boete doen voor de zonden van de mensen’ een centraal thema was in de spiritualiteit. Overal in het klooster hingen kruisbeelden om ons daaraan te herinneren. Maar het bleek niet meer aan te slaan bij ons als jonge novi- cen. Er kwam veel kritiek op. In de latere, theologische studie werd die kritiek nog eens stevig onderbouwd. We studeerden een theologie die sinds de Verlichting rationeel was geworden en ook geïnteresseerd was in het onderzoek naar de historische feiten. Voor de katholieke Kerk was het Tweede Vaticaanse Concilie (1962–‘65) een geweldige stimulans om deze herbron- ning serieus te nemen. We werden aangespoord om zowel de bijbelse bronnen opnieuw te bestuderen als ze te actualiseren voor de moderne, naoorlogse wereld. Uit dit onderzoek bleek een groot verschil tussen de histo- rische Jezus en zijn oorspronkelijke boodschap aan de ene kant en de Christus van het geloof aan de andere kant. We werden geconfronteerd met een pijnlijke breuk, een moeilijk te verwerken ‘discontinuïteit tussen historie en geloof,’ zoals dat in het vakjargon van de exegeten heette. Jezus was een Joodse wijsheidsleraar en had mogelijk zijn dood nooit als ‘verzoening voor de zonden van alle mensen’ gezien. Hij had zeker ook nooit aan een Kerk gedacht. Wat wij daarover geloofden, was na Jezus’ dood ontwikkeld en had vage, mythische trekken. Die van een God Die hoog in de hemelen troont en van daaruit de wereld bestuurt. De vraag kwam natuurlijk: “Waren wij we nog bereid in een dergelijke mythe te geloven?” Was er nog sprake van een goddelijk plan waardoor de zonden en de gevolgen daarvan door de dood van Jezus waren vergeven en uitgewist? Was de fysie- ke opstanding van Jezus na zijn dood voldoende valide be- wijs daarvoor? De bereidheid om daarin te geloven slonk in het zicht van een seculiere wereld waarin die boodschap ge- bracht moest worden. Theologie na de Holocaust De bereidheid om deze mythische verhalen te geloven, werd voor velen van ons onmogelijk in het zicht van de gruwelen van de laatste wereldoorlog. We hadden die zelf nog gedeelte- lijk meegemaakt en later gehoord hoe er miljoenen onschuldi- ge medemensen de dood in gejaagd waren. ‘Waar was God in Auschwitz?’ Die vraag hield miljoenen bezig. Heeft God ons verlaten? Is zijn plan gewijzigd? Betekent Jezus’ verzoendood nog iets? Hoe nog te leven in een wereld die door God in de steek gelaten schijnt te zijn? De theoloog Bonnhoeffer had vanuit het concentratiekamp indringende brieven hierover ge- schreven die van grote invloed waren op de latere theologie. Het drukte de theologie met de neus op de harde feiten. Telkens opnieuw kwamen de pijnlijke vragen waarop vanuit de traditionele theologie nauwelijks een antwoord te geven

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=