Reflectie 6(1) voorjaar 09.vp
Pasen, het feest van Jezus’ verrijzenis Frank den Outer Een 19de eeuwse bijbelgeleerde verwoordde het zijns inziens belangrijkste van het christelijk geloof als volgt – hier aangehaald in zijn voor ons nogal verouderd taalgebruik: “De wortel van het geloof in Jezus Christus was de overtuiging dat Hij was opge- staan. Hij die ter dood gebracht was, kon – naar men meende – hoe groot Hij ook tijdens zijn leven geweest was, niet de Messias zijn; maar zijn miraculeuze terugkeer naar het leven bewees des te krachtiger dat Hij wél de Messias was. Door zijn opstanding, bevrijd uit het koninkrijk van de schaduwen, en tegelijk boven de kring van de aardse mensheid verheven, was Hij nu overge- bracht naar hemelse streken en had Hij zijn plaats ingenomen aan de rechterhand van God” . Nu is het zo, dat de opstanding of verrijzenis zich onttrekt aan elke waarneming en aan elke directe ervaring, want de opstan- ding vindt plaats in het wezen van de mens, op het innerlijke niveau. In de vier evangeliën spreekt Jezus wel over de op- standing van de mens, maar over zijn verrijzenis vinden we niets beschreven; alleen de verschijningen van de Opgestane worden vermeld aan het slot van die evangeliën. In de schil- derkunst vinden we van meet af aan vele afbeeldingen van wat aan de opstanding van Jezus voorafging – de kruisiging, de graflegging, de vrouwen bij het kruis en bij het graf – maar pas in de late Middeleeuwen beeldden de schilders Jezus’ ver- rijzenis af, heel reëel. In het vorige nummer van Reflectie (winter 2008, blz..30) een fraai, indrukwekkend voorbeeld daarvan, uit het jaar 1515, van Mathias Grünewald. Toch is over de verrijzenis geschreven, geheel onverwachts en lange tijd geheel onbekend. Het is een getuigenverslag, zo lijkt, en betreft het Evangelie van Petrus*. Dit evangelie, waar- van al eeuwen bekend is dát het bestaan heeft, werd niet opge- nomen in de Bijbel,.Die bekendheid is te danken aan Eusebius, een 4de eeuwse kerkvader, die meldde dat dit evangelie zeer populair was in delen van Syrië gedurende de 2de helft van de 2de eeuw. Volgens hem keurde de bisschop van Antiochië, Se- rapion, het evangelie goed voor zijn kerk, zonder het gelezen te hebben! Later bleek dat er een docetische christologie in tot ui- ting kwam (naar het Griekse dokeo, schijnen): het was slechts schijn dat Jezus lichamelijk was verschenen, zijn lijden aan het kruis een schijnbaar lijden, dus niet werkelijk. Gevolg van deze ontdekking: de toestemming van bisschop Serapion werd, per rondschrijven, definitief ingetrokken! Pas ca.150 jaar geleden zijn fragmenten van dit Petrus-evan- gelie – het laatste deel – gevonden in een graf van een monnik in Egypte. En daarin komt een verbijsterende passage voor: een beschrijving van de werkelijke verrijzenis van Jezus dat in geen enkel ander vroeg geschrift is beschreven, nu naverteld: Een grote menigte van Jeruzalem en omgeving was gekomen om het graf te zien. In de nachtelijke uren hoorden zij een sterk geluid, zagen de hemelen geopend en twee mannen daalden neer in stralende heerlijkheid. De sluitsteen voor het graf rolde vanzelf weg en de twee gingen naar binnen. De soldaten op wacht maak- ten de commandant (de honderdman), wakker die getuige wordt van een ongelooflijk schouwspel: vanuit het graf komen nu drie mannen, de hoofden van twee van hen reiken tot in de hemelen; zij ondersteunen de derde wiens gestalde nog verder reikt dan de hoogste hemelen. Achter de drie verschijnt een groot kruis en een hemelse stem vraagt: “Hebt ge gepreekt tot hen die slapen?”, waarop het kruis met “ja” antwoordde. Daarop rennen de soldaten naar Pilatus om hem te vertellen wat was gebeurd. De Joodse leiders vragen hem dringend het verhaal voor zich te houden uit angst te worden gestenigd door het volk, omdat zij Jezus hadden gekruisigd. Dan volgt in dit evangelie het verhaal dat overeenkomt met dat in het evangelie van Marcus: over de komst de volgende dag, in de vroege morgenuren, van Maria Magdalena met ande- re vrouwen die zagen dat het graf leeg was. Het evangelie van Markus (16:8) eindigt dan met: “Zij vrouwen vluchtten naar buiten, van het graf weg, bevend van angst en buiten zichzelf. Zij zeiden niemand iets, want zij waren bang” (Mc 16:8). Het slot van dit evangelie (Mc 16:9-20) is een latere toevoeging, niet van Marcus, over de verschijningen van Jezus en over zijn he- melvaart. Het fragmentarische evangelie van Petrus eindigt mid- den in een zin: “Maar ik, Simon Petrus, en Andreas, mijn broer, namen onze netten op en gingen de zee in; en met ons was Levi, de zoon van Alphaeus, wie de Heer …” De verrijzenis van Jezus is zo essentieel – alle geloofsbelij- denissen en alle eerdere geloofsregels vermelden de verrijze- nis – dat het zeer onwaarschijnlijk is dat er daarvan geen ver- slag zou zijn. Waarschijnlijk gaven de latere verschijningen van Jezus voldoende zekerheid over de werkelijkheid van de verrijzenis – tot op de huidige dag; het evangeliefragment van Petrus zou voor sommigen nu het geloof in de opstanding al- leen kunnen versterken.. Noot
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=