Reflectie 6(2).vp

Herinneringen van jonge kinderen aan een vorig leven drs. Titus Rivas In tegenstelling tot wat sceptici steeds weer beweren (recentelijk bijvoorbeeld weer in het boek “Wat een onzin!” van De Regt en Dooremalen), liegt het parapsychologisch bewijsmateriaal voor een voortbestaan na de dood er niet om. Een van de vruchtbaar- ste deelgebieden hiervan wordt gevormd door het zogeheten reïncarnatieonderzoek. Het gaat hierbij primair om veldwerk, dat wil zeggen onderzoekingen naar spontane casussen zoals zich die van nature, van zelf voordoen . Samenvatting Reïncarnatie-onderzoek is een subcategorie van parapsycholo- gisch onderzoek naar een voortbestaan na de dood, die zich concentreert op spontane gevallen van jonge kinderen. Er be- staat een harde kern van casussen die niet afdoende door scep- tische hypothesen zoals toeval, bedrog of normale informatie verklaard kan worden. Ook bepaalde parapsychologische hy- pothesen zoals buitenzintuiglijke waarneming gaan voorbij aan belangrijke eigenschappen van deze harde kern. Alleen de reïncarnatie-hypothese kan alle kenmerken van zulke casussen bevredigend verklaren. Inleiding Op 8 februari 2007 overleed één van de productiefste para- psychologische onderzoekers ter wereld, dr. Ian Stevenson. Hij zag zichzelf paradoxaal genoeg niet als parapsycholoog, maar als psychiater met een bijzondere belangstelling voor ongewone vraagstukken rond de aard en de bestemming van de geest. Stevenson heeft belangrijke publicaties op zijn naam staan over uiteenlopende parapsychologische onderwerpen zo- als telepathie, poltergeist, bijna-doodervaringen en spiritisti- sche mediums, maar zijn grote bijdragen tot de serieuze literatuur over onderzoek naar reïncarnatie zijn het bekendst geworden. Vanaf de jaren ‘50 tot aan zijn overlijden bleef hij actief bezig met dit onderwerp. Waar hebben we het nu over? In concreto gaat het om ca- sussen waarin een kind van gemiddeld tussen de 2 en 4 jaar spontaan begint over herinneringen aan een vorig aards leven, voorafgaand aan zijn of haar geboorte. De uitspraken kunnen eenmalig zijn, dat wil zeggen dat een kind er slechts één keer over praat en er niet meer op terugkomt. Maar in veel gevallen vertoont het kind een behoefte om jarenlang terug te komen op zijn of haar herinneringen en verlangt het bovendien terug naar mensen of plaatsen uit de vroegere incarnatie. Daarbij is het opvallend hoe sterk de emoties kunnen zijn, evenals de identificatie met wat het kind zelf als persoonlijke herinne- ringen ervaart. Bij een harde kern van gevallen doet het kind zeer specifieke uitspraken over een onbekende overledene die zich lenen voor een historische verificatie. Het gaat om uit- spraken over zaken als de voor- en achternaam uit het vorig leven, het beroep dat men uitoefende, de naam van een partner of kinderen, leeftijden, plaatsnamen, de levensloop, persoon- lijke eigenaardigheden en de omstandigheden en oorzaak van het overlijden. Opvallend aan dit subtype is dat er dikwijls een concrete overledene aangewezen kan worden van wie de ken- merken in zo’n hoge mate overeenkomen met het verhaal van het kind dat toeval met een aan zekerheid grenzende waar- schijnlijkheid uitgesloten kan worden. In een groot aantal ge- vallen is er bovendien sprake van aangeboren lichamelijke kenmerken zoals moedervlekken en geboorte-afwijkingen die specifiek overeenstemmen met dodelijke verwondingen uit het vroegere leven. Bijvoorbeeld een moedervlek in de vorm van een kogelgat op een plek waarop het kind aan het eind van zijn vroegere incarnatie geraakt werd. Stevenson verzamelde meer dan 2000 casussen van over de hele wereld, en reisde zelf ook naar Azië, Latijns-Amerika, Europa en Afrika om verklaringen over herinneringen aan vo- rige levens uit de eerste hand op te tekenen. Al tijdens zijn le- ven werd zijn voorbeeld gevolgd door andere onderzoekers, zoals Erlendur Haraldsson, Jim Tucker, Kirti Swaroop Rawat, Satwant Pasricha, Godwin Samararatne, Hernani Guimaraes Andrade, Jamuna Prasad en een team van de Nederlandse stichting Athanasia. Er wordt overigens ook enig experimenteel onderzoek uit- gevoerd met behulp van regressiehypnose en aanverwante technieken, maar het casuVstisch reïncarnatieonderzoek naar de herinneringen van jonge kinderen heeft vooralsnog veel meer interessant bewijsmateriaal opgeleverd. Een voorbeeld van een geval van Ian Stevenson Een van de casussen die Stevenson persoonlijk onderzocht, is het klassieke geval van Bishen Chand Kapoor. Dit was een Indiase jongen uit Bareilly die in de jaren ‘20 van de vorige eeuw werd ontdekt door de advocaat K.K.N. Sahay. Reeds op de leeftijd van anderhalf jaar vertelde hij dat hij naar de plaats Pilibhit wilde gaan, zo’n 50 km verwijderd van Bareilly. Van- af zijn derde jaar kwam hij met een uitgebreid verhaal over zijn vroegere incarnatie. Sahay noteerde een groot deel van de uitspraken van Bishen Chand, alvorens hij gegevens over een overledene uit Pilibhit trachtte te vinden die ermee in overeen- stemming zouden zijn. Bishen Chand noemde details zoals na- men, leeftijd, kaste, bezittingen, activiteiten (zoals het organiseren van feesten met courtisanes), en zijn voorliefde voor vlees en sterke drank. Op grond hiervan kwam men tot de conclusie dat de jongen in zijn vorige leven ene Laxmi Na- rain uit Pilibhit moest zijn geweest. Dit werd nog eens beves- tigd door merkwaardige overeenkomsten in persoonlijkheid tussen Bishen Chand en Laxmi Narain. Stevenson onderzocht de casus grondig en kwam tot de conclusie dat het hoogstwaarschijnlijk om een betrouwbaar, authentiek geval ging, dat bovendien zeer moeilijk op een nor- male manier te verklaren was. Een recent voorbeeld Dergelijke (voor het materialisme) onverklaarbare gevallen doen zich ook nu nog steeds voor. En niet alleen in Azië, maar

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=