Reflectie 6(2).vp
ook in het Westen. Later dit jaar zal er een boek verschijnen met de titel Soul Surviver, over de herinneringen van een Ameri- kaanse jongen, genaamd James Leininger. Zijn ouders waren van tevoren totaal niet bezig met het onderwerp wedergeboorte. James hield als peuter erg van spelen met vliegtuigen, maar vanaf zijn tweede jaar kreeg hij regelmatig nachtmerries, waarin hij zelf omkwam als piloot. Na verloop van tijd deelde de jongen meer details met zijn ouders. Zoals de naam van het vliegdekschip vanwaar hij vertrokken was; dat hij geraakt was door een Japanner; waar hij precies neergeschoten was; en de naam van iemand die met hem mee was gevlogen. Zijn aan- vankelijk ongelovige vader kwam erachter dat dit alles exact klopte met de laatste dagen van piloot James M. Huston Jr. Hij zocht contact met de zus van deze overledene en het kwam ui- teindelijk ook tot een ontmoeting met de jongen. Naar aanlei- ding daarvan raakte ook deze vrouw ervan overtuigd dat hij wel haar gereïncarneerde broer moest zijn, gezien alle details die hij haar wist te vertellen. Sceptische verklaringen Inmiddels zijn er honderden gevallen verzameld waarbij het zeer waarschijnlijk lijkt dat er meer aan de hand is dan fantasie of zelfbedrog. In meer dan 30 gevallen zijn er bovendien voor- afgaand aan iedere vorm van verificatie van de herinneringen aantekeningen gemaakt van de voornaamste verifieerbare uit- spraken. Die casussen kunnen dus niet worden afgedaan als inbeelding. Sceptici zijn daarom aangewezen op drie andere verkla- ringen: boerenbedrog, bizar toeval en onbewuste voorkennis. Bij bedrog moet men denken aan onderzoekers of families die dolgraag beroemd en/of rijk willen worden en daarom geval- len verzinnen of aandikken. Overigens wordt deze hypothese bijna nooit genoemd door sceptici, domweg omdat zij slechts zeer zelden aan de orde lijkt. In het geval van bizar toeval zou het moeten gaan om zeer vérgaande overeenkomsten tussen het verhaal van het kind en een historische overledene die toch nog alleen zouden berus- ten op coïncidentie. De kans dat dit werkelijk de juiste verkla- ring vormt, is natuurlijk erg klein en ze wordt nog kleiner naarmate er meer ‘sterke’ gevallen worden verzameld. Deze hypothese berust dus evenmin op concrete argumenten, maar dient alleen om de anomalie onschadelijk te maken. Sceptici zoals Richard Wiseman en Helen Joyce beweren zelfs dat je alleen op basis van exacte berekeningen mag stellen dat de overeenkomsten tussen de uitspraken van de kinderen en ie- mands historische verleden echt zo groot zijn als ze op het eer- ste gezicht lijken. Zonder zulke methoden zou het om wille- keurig nattevingerwerk gaan. Dat is m.i. echter alleen een overtuigend argument voor mensen die koste wat kost elke anomalie buiten de deur willen houden. De derde sceptische verklaring van sterke casussen is, dat de overeenkomsten berusten op normale voorkennis oftewel cryptomnesie, d.w.z. verborgen herinnering aan dingen die je bijvoorbeeld gelezen of gehoord hebt. Deze hypothese erkent in elk geval dat de overeenkomsten niet berusten op puur toe- val, dus ze is al een stuk redelijker dan de overige sceptische hypothesen. Alleen is zij duidelijk niet van toepassing, wan- neer de herinneringen iemand betreffen die totaal onbekend is binnen de omgeving van het kind (en die uiteraard ook geen beroemdheid is). In dat geval kan het kind niet ongemerkt aan informatie gekomen zijn over de overledene. Parapsychologische verklaringen In sommige kringen wordt wat zich voordoet als herinnering- en aan vorige levens opgevat als aanwijzingen voor een ‘gene- tisch geheugen’. Ook deze hypothese is onverenigbaar met de harde kern van casussen, omdat het daarbij niet gaat om herin- neringen aan een leven als je eigen voorouder, maar om een totaal onbekende overledene die zeker geen directe familie was van het kind. De populairste verklaring voor sterke gevallen binnen het reïncarnatie-onderzoek onder parapsychologen die niet in een voortbestaan geloven, luidt dat zij neerkomen op een speciale vorm van buitenzintuiglijke waarneming oftewel ESP. De kin- deren zouden middels telepathie of helderziendheid – des- noods met behulp van de zogeheten Akasha-kroniek (een soort universele geestelijke databank) of de ‘morfogenetische vel- den’ van Rupert Sheldrake – informatie verzamelen over een overledene en zich daar vervolgens sterk mee identificeren. Deze hypothese is echter opnieuw niet van toepassing als het om een totaal onbekende overledene gaat. Het kind zou op zijn minst een aanknopingspunt moeten hebben om contact te maken met de informatie over de overledene. Vervolgens zou het ook nog een motief moeten hebben om zich met die per- soon te identificeren en daarin te volharden, d.w.z. ook als het om een overwegend negatief leven gaat, een gruwelijke dood of onvervulde verlangens. Tenzij men de ontwikkelingspsy- chologie van kinderen buiten beschouwing wil laten, is dit al- lemaal zeker niet aannemelijk. Bovendien zijn er kinderen die over inzichten en vaardigheden beschikken die overeenkomen met het leven dat ze zich herinneren en niet met hun huidige leven. Dat gaat veel verder dan het intunen op paranormale in- formatie en wijst sterk op echte persoonlijke herinneringen. Net als bij de toevalshypothese is ook de ESP-hypothese dui- delijk niet opgesteld, omdat zij de beste verklaring zou bieden voor het verzamelde bewijsmateriaal, maar simpelweg om re- ïncarnatie buiten de deur te houden. Dit geldt in mindere mate ook voor de verklaring door mid- del van postuum contact oftewel beïnvloeding tussen het kind en de overledene die het denkt te zijn geweest. Ook hierbij ont- breekt elk plausibel motief. Wat kan een overledene bewegen om een kind de verkeerde indruk te willen geven dat het zelf herinneringen aan een vorig leven heeft? En wat voor een mo- tief kan een kind hebben om zomaar met die illusie mee te gaan en zich er enorm sterk mee te identificeren? Het gaat duidelijk opnieuw om een verwoede poging vooral niet in de realiteit van reïncarnatie te hoeven geloven, en niet om plausibiliteit. Ian Stevenson, zijn opvolger Jim Tucker en de meeste an- dere reïncarnatieonderzoekers zijn het erover eens dat de reïn- carnatie-hypothese de beste verklaring vormt voor genoemde harde kern van het verzamelde bewijsmateriaal. Zij verklaart waarom deze kinderen zelf denken dat ze herinneringen heb- ben aan een vorig leven. Waarom die herinneringen vaak in een ‘paranormale’ mate overeenstemmen met de historische realiteit. Waarom de kinderen zich sterk emotioneel identifice- ren met de vroegere incarnatie. Waarom ze vaak terugverlan- gen naar plaatsen, gebeurtenissen, personen of activiteiten van vroeger. Waarom ze zoals James Leininger kunnen lijden aan posttraumatische verschijnselen zoals nachtmerries, obsessies en fobieën. Waarom ze bijzondere aangeboren inzichten, vaar- digheden en persoonlijkheidskenmerken hebben die overeen- komen met die van een concrete overledene. En waarom hun
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=