Reflectie 6(3) herfst 09.vp

vereerd. Matteüs en Lucas vinden het allemaal wat eenvoudig wat Marcus vertelt. Zij geven over de geboorte van Jezus een reeks van bijzonderheden. Jezus’ geboorte wordt aan de maagd Maria aangekondigd door de engel Gabriël; vindt plaats onder bijzondere omstandigheden; wijzen uit het Oosten komen Hem in de geboortestal huldigen en engelen verkondigen de herders de geboorte. Verder geven Matteüs en Lucas een stamboom – die overigens wel van elkaar verschillen! – om aan te tonen dat Jezus de verwachte Messias is. Zij beschrijven hem gewoon als zoon van Jozef, en niet – zoals later volgens belijdenissen en ook nu nog – als Zoon van God. Johannes, ca. 50 jaar later, schrijft helemaal niets over de geboorte en menselijk afstamming, hij wil alleen aantonen dat Jezus (de verpersoonlijking van) God is. Daarin komt Johannes dicht bij de visie van Paulus. Wat hij, Paulus, als de ‘Christus- geest’ omschrijft, noemt Johannes de ‘Logos’, het ‘Woord’ – het Woord dat ‘in het begin was, dat God was’. Petrus, de plaatsvervanger van Jezus op aarde? Hij is een van de eerste volgelingen van Jezus. Als Jezus wordt vervolgd, zegt hij: ‘Nooit zal ik beweren dat ik u niet ken, al moet ik met u sterven’ (Mc 14:31). Even later ontkent hij tot driemaal toe dat hij iets met Jezus heeft te maken. Petrus doet zijn naam geen eer aan: hij is wankelmoedig en bang, bereid te liegen. In het evangelie van Matteüs is Petrus’ rol evenmin posi- tief. Zijn eigenlijke naam is Simon, maar Jezus (Mt 16:16-20) noemt hem Petrus, d.w.z. rots, want hij vertrouwt op zijn intu- ïtief weten, hem geopenbaard door ‘mijn Vader in de hemel’; hij ontvangt de sleutels van het koninkrijk van de hemel, het innerlijke weten of gnosis. We vinden daar parallellen van in het Thomasevangelie. Even later ontkent hij dat en hem wordt voorgehouden: ‘Ga terug, achter mij, Satan’ (Mt 16:22,23). En nog later ver- loochent hij Jezus tot driemaal toe (Mt 26:69-75). Lucas is milder ten aanzien van Petrus: hij laat hem, nadat Maria Magdalena als eerste het lege graf ontdekt, ook het graf binnengaan waar hij de doeken vindt. Weer later laat hij ande- ren zeggen dat Jezus (het eerst) aan Simon/Petrus is versche- nen (Lc 24:12,34). En in Johannes, aan het slot van zijn evangelie (21:15-19) krijgt Petrus de bijzondere rol van Gods plaatsvervanger op aarde: ‘Wijd mijn lammeren, wijd mijn schapen’ – tot drie keer toe aan Petrus opgedragen. Betreft het hier een ongeloof- waardige ommekeer in zijn positie? Dat is alleen te begrijpen met de wetenschap dat het laatste, 21 hoofdstuk, een latere toevoeging is aan het evangelie van Johannes. Nu blijkt, dat in het Thomasevangelie Jezus zijn broer Jacobus als zijn opvolger aanwijst, niet Petrus: ‘Wie is het die groot over ons zal zijn? Jezus zei tegen hen: ‘Waar jullie nu ge- komen zijn, zullen jullie naar Jacobus de rechtvaardige gaan, omwille van wie hemel en aarde zijn ontstaan’, (Thomas 12). Jezus geeft daarmee aan dat Jacobus weet wat te doen om God te kunnen ervaren, en dat hij zijn opvolger zal zijn. [Er is dus een niet voor ieder betrouwbare bron (de toevoe- ging aan het slot van Johannes) die Petrus aanwijst als sleutel- bewaarder en rots – de titels die de Kerk aan hem toebedeelde – en een niet door ieder geaccepteerde bron (het ‘gnostisch’ evangelie van Thomas) die Jacobus als zodanig noemt]. Om nu Petrus, en diens opvolger(s), als plaatsvervanger van Jezus en herder van zijn kudde en daarmee als leider van zijn volgelingen, door de Kerk als de paus te verklaren, vindt dus twijfelachtige grond gezien een latere toevoeging in de (cano- nieke) evangeliën. Het wordt tegengesproken door het pas een halve eeuw geleden gevonden Thomas evangelie waarin Jezus niet Petrus maar Jacobus aanwijst als zijn opvolger. Maar dit kan door de RK- Kerk natuurlijk niet zomaar worden erkend: de paus geeft zichzelf zijn eigen wijding en voert het primaat waarop hij aanspraak maakt, terug op Petrus. Daarvoor zou Ja- cobus dus eerder in aanmerking komen. De RK-Kerk verkon- digt bovendien al van oudsher dat Petrus de eerste getuige van de opstanding is, hetgeen geacht wordt bijzondere zeggen- schap te verlenen aan hem en al zijn opvolgers, de leiders van de gehele toenmalige Kerk, vanuit Rome. Maar als hiervoor alleen de eerste getuige bepalend is, dan komt eerder Maria Magdalena dan Petrus als leider in aanmer- king. Want volgens alle vier evangeliën is zij het – Maria Mag- dalena – die de opgestane Jezus het eerste zag (Mc, volgens het aangepaste slot 3 van Mc (16:9-20, Mt 28:9 en Lc 24:13-32). Hij verscheen weliswaar ook aan Petrus (Lc 24:33, 34; Joh 20: 11-18), maar niet als eerste. En ook, van groot gewicht: Petrus schrijft nergens over al die bijzonderheden die hem zouden zijn overkomen volgens Lucas en Johannes, en ook vermeldt hij niets over zijn benoeming (Joh 21:15-17) als herder van Jezus’ kudde. Dit alles te weten, zal echter (‘natuurlijk’) geen enkele invloed hebben op de rk-overtuiging dat de paus de opvolger van Jezus is op aarde. De opstanding van Jezus Hoe wordt de opstanding beschreven in het NT? Is het een lichamelijke opstanding? Is de opstanding lichamelijk, maar niet materieel? Of geheel verschillend hiervan? De vier evan- gelisten en de apostel Petrus (eerste brief) schrijven daarover. Hoewel in de vier evangeliën de opstanding zelf nergens wordt beschreven, wordt wel vermeld dat de vrouwen die het lege graf ontdekten, toegesproken werden door een in het wit geklede jongeman (Mc), door een engel (Mt), door twee man- nen in stralende gewaden (Lc), door twee engelen in witte ge- waden (Joh). De vrouwen moesten heengaan naar Galilea; daar zouden zij Hem zien, zoals hij had gezegd. Hij verscheen echter al eerder aan enkele leerlingen op weg daarheen. Later verscheen Hij aan zijn leerlingen, die zich achter gesloten deu- ren bevonden; Thomas, de ongelovige, mocht toen zijn ving- ers leggen op de spijkerwonden van Jezus’ handen en zijde. Bijzonder is, dat Marcus over de opstanding vaag is. Hij noemt de twee Maria’s en Salome die het graf leeg zagen, hoorden wat een jongeman hen zei: ‘U zoekt Jezus … . Hij is tot leven gewekt, hij is niet hier’. Toen vluchtten zij naar bui- ten, bevend van angst en buiten zichzelf. Ze zeiden niemand iets (!), want zij waren bang (Mc 16:1-8). Veel eerder in zijn evangelie (12:25) meldt Marcus wat Je- zus zelf over de opstanding heeft gezegd: ‘Wanneer de men- sen uit de doden opstaan, zijn ze als engelen in de hemel. Dus mensen staan op uit hun dode lichaam als geestelijke wezens. Een verdere bijzonderheid is, dat het Evangelie van Thomas de opstanding helemaal niet noemt, en dat terwijl Thomas zijn evangelie schreef na de dood van Jezus, en volgens Johannes dus, de wonden in zijn zijde had gevoeld.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=