Reflectie 6(3) herfst 09.vp

Alle vier evangeliën spreken over een lichamelijke opstanding van Jezus na de kruisiging. Johannes is het meest uitgebreid: zijn laatste twee hoofdstukken (20 en 21) heeft hij er geheel aan gewijd. Alle evangeliën vermelden dat het graf leeg is, de grafsteen is weggerold en dat Jezus een drietal keren ver- schijnt aan zijn leerlingen in zijn herkenbare lichamelijk vorm – al herkenden zij Hem niet meteen. Eén van zijn leerlingen, Thomas, mag de spijkerwonden aan handen en zij aanraken, anders kan hij het niet geloven dat Jezus werkelijk lichamelijk aanwezig is. Er is echter wel wat ‘aan de hand’: Jezus kan door gesloten deuren een ruimte binnenkomen. En bij een andere gelegen- heid komt hij het ‘uit het niets’ en loopt met een paar leerlin- gen mee, verdwijnt vervolgens dan even plotseling als hij is gekomen. Behalve in de evangeliën is in andere gedeelten van het NT sprake van de opstanding van Jezus, maar – belangrijk ge- noeg, en vrijwel onbekend – niet van een lichamelijke, maar van een geestelijke opstanding. Dat komt voor in de oudste NT-geschriften – de brieven van Petrus en Paulus (ca. 6o n. Chr)! Petrus schrijft in zijn eerste brief (1 Pe 3:18;) 4: Hij (Je- zus) is gestorven als mens van vlees en bloed, maar (zonder lichaam) tot leven gewekt in de kracht van de geest En wat verder: Hij is de hemel binnengegaan, en heeft in de geestelijke wereld ‘engelen en geestelijke krachten’ aan zich onderworpen en heeft plaatsgenomen aan de rechterhand van God. 5 (1 Pe 3:22) De opstanding van Jezus Christus die ten hemel opgestegen, zetelt aan Gods rechterhand, nadat eng- elen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. Daarmee geeft Petrus aan dat Jezus dan een uitsluitend geeste- lijk wezen is. Ook Paulus spreekt over een geestelijk voortle- ven van Jezus. Het blijkt dus dat de lichamelijke opstanding niet wordt bevestigd in de NT evangeliën en brieven. Waarom zijn dan velen hiervan overtuigd, en verkondigt de RK-Kerk zo met stelligheid dat dogma? De opstanding van Jezus is ook van belang voor de positie van de paus. Die positie is gegrond op de eerste getuige van het lege graf, en dat was zoals al naar voren gebracht niet Pet- rus. Waarschijnlijk, veel belangrijker, wordt hierbij gewezen op de aanwijzing van Petrus als herder van Jezus’ kudde (Joh 21:15-17). Geconcludeerd kan worden: · de lichamelijke opstanding van Jezus is niet houdbaar op grond van het NT; en · de benoeming van Petrus als herder – waarvan de paus in directe lijn de opvolger zou zijn – wordt alleen vermeld in het laatste, 21 hoofdstuk van het Johannesevangelie, ge- schreven veel later (ca. 80 jaren) ná de kruisiging dan de drie andere evangeliën Bovendien is dat laatste hoofdstuk (Joh 21) een dubieuze toevoeging van nog latere datum aan dat evangelie. Tot slot Weinigen zullen nu nog de Bijbel als het onfeilbare Woord van God beschouwen – daarvoor weten wij te veel over de Bijbel. Bekend is de ontstaansperiode van de verschillende nieuwtestamentische en de daaraan later gekoppelde auteurs- namen; de onderlinge afhankelijkheid of gehele onafhank- elijkheid van die boeken; de tegenstrijdigheden of geheel ver- schillende of juist overeenkomende beschrijvingen in de ver- schillende boeken van ogenschijnlijk dezelfde voorvallen. Dit kan verwarrend zijn. Maar de lezers moeten juist door verge- lijking van die verschillen komen tot een beter inzicht in de beschreven ‘werkelijkheid’. Harde uitspraken van ‘zó is het’, zijn niet te geven, ook niet te verwachten. Dit is getracht aan te tonen door onder meer de opstanding van Jezus: in de vier evangeliën betreft het een lichamelijke, in oudere nieuwtesta- mentische brieven een geestelijke opstanding. Er zijn verschil- lende ‘niveaus’ van de werkelijkheid. * * * Noten 1. Chronologie van * de evangeliën: Mc ca 65; Mt 70-80, Lc 80-85 en Joh 100-110 * de Nieuwtestamentische brieven: - de brief van Jakobus, de broer van Jezus (ca 46). - de zeven echte Paulusbrieven (ca. 47- 62): Galaten, Tesssalonicenzen, Korintiërs (1 en 2), Romeinen, Filemon, Filippenzen. - de drie aan Paulus toegeschreven brieven (ca. 52-62): Tessalonicenzen, Efeziërs, Kolossenzen). - de brieven, zeker niet van Paulus: Hebreeën (ca. 88), Timoteüs en Titus (beide ca.140), Petrus (de eerste ca. 64; de tweede ca. 140, maar zeker niet van Petrus). - alle overigen brieven zijn van veel latere datum; zij werden meestal onder- tekend, niet met hun eigen namen, maar met die van andere bekenden - om daaraan gezag te ontlenen. 2. Zie bv: Synopsis van de eerste drie evangeliën, Jos Keulers; J.J. Romen & Zonen, Roermond-Maaseik, 1958. 3. Het slot van Marcus (16:9-20) is in tweede helft van de negentiende eeuw aan het licht gekomen. Het ontbrak in de oudste evangelieversies (die voorkomen in de Codex Synaiticus, de Codex Vaticanus (beide uit 4e eeuw) en de Codex Syniscus (5e eeuw). 4. In een andere vertaling (KBS, Willibrord): Hij is gedood naar het lichaam, maar tot leven gewekt door de Geest.(1 Pe 3:18) . 5. In een andere vertaling (KBS, Willibrord): De opstanding van Jezus Christus die ten hemel is opgestegen, zetelt aan Gods rechterhand, nadat engelen en machten en krachten aan Hem onderworpen zijn. (1 Pet 3:22 Frank R. den Outer (1934) is regi- onair bisschop emeritus van de Vrij-Katholieke Kerk in Neder- land. Na te zijn afgestudeerd aan de TU Delft was hij een viertal ja- ren werkzaam bij een bedrijf in de UK. In London kreeg hij in 1963 de priesterwijding. Terug in Ne- derland kwam hij in dienst van een elektrotechnische, industriële firma die hem in vele delen van de wereld bracht. Zijn bisschopswij- ding vond plaats in 2002 in Amsterdam. De auteur is christo-centrisch geo- riënteerd, en erkent dankbaar dat spirituele stromingen in theo- sofie en gnostiek uit de jaren ‘20 verdiepend hebben gewerkt op het vrij-katholieke denken en de liturgische vormen. Voor verdere verdieping van de VK-leer en liturgie is de huidige tijd zeker toegankelijk. * * * * * * * * *

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=