Reflectie 6(3) herfst 09.vp

Religie en Natuurwetenschap Een verdiepende visie op God, Christus en mens door de moderne natuurkunde en astronomie X Frank den Outer Het kerkelijke christendom in het Westen heeft de laatste tijd sterk aan betekenis ingeboet. Ook binnen het christendom lijkt de kerkelijke leer haar greep geheel te verliezen. Het wordt naar eigen, individuele overdenkingen, inzichten en ervaring, tot een persoonlijke leer ‘aangepast’ en is dan niet meer onderworpen aan het gezag van de Kerk. Het kan ook zijn, dat de geloofsleer van geen belang wordt geacht, hetgeen dan leidt tot de Kerk de rug toekeren. Zelfs wanneer vrijheid van denken en geloof door de Kerk wordt gegund, zal dat het christendom niet meer ‘redden’– daarvoor moet te veel van het geloof worden herzien – of, het is daar al te laat voor. De westerse mens is wél religieloos religieus, of anders gesteld: spiritueel. Spiritualiteit, of wat daarvoor doorgaat, is tegenwoordig ‘in’, en dat is al enkele decennia lang het geval. Daarbij zijn mystieke ervaringen geen uitzondering. Maar zowel mystiek als spiritualiteit staan met theologie, en daarmee met de kerkleer, op gespannen voet. Daar mystiek gegrond is op een eenheidservaring en daarmee de scheiding tussen God en de ‘wereld’ overbrugt, kan mystiek niet gedijen in het christelijk theologische, dogmatische ‘klimaat’. Dat kli- maat is in grote lijnen als volgt samen te vatten: Tussen God en de wereld heerst een fundamenteel dualis- me. Anders gesteld: God staat op zichzelf, buiten de wereld en gescheiden van de mens die Hij geschapen heeft. De mens kan zich wel tot diens Schepper wenden, maar beging een zondeval. De verlossing van die zondeval kan alleen van buiten, van God komen, op Zijn initiatief. Dat gebeurde door een verlosser te zenden, zijn Zoon, die als God op aarde komt, en mens wordt. Door de dood aan het kruis, brengt de Zoon de verzoening tussen God en mens tot stand. Zijn dood is een zoenoffer. De Zoon is voor ons en voor onze zonden gestorven. Dat is de christelijk theologische visie die nog heerst – prak- tisch uitsluitend gebaseerd op de Bijbel. Het is weliswaar wat cru om die zó onder woorden te brengen, maar is niet in tegen- spraak met leerstellingen gebaseerd op het Nieuwe Testament. Dat NT bevat ook leerstukken die daarmee niet stroken, of waarvan in het geheel geen nieuwtestamentische bronnen zijn te vinden. Daar is ten dele eeuwen later in voorzien door de geloofsbelijdenissen van de vierde eeuw en later. De orthodox christelijke leer kan niet worden geïnterpreteerd of ontwikkeld door de bevindingen van de natuurwetenschap – daarin ziet de theologie geen heil. De natuurwetenschappelijke inzichten, die weliswaar nauwelijks of niet worden begrepen , staan echter in hoog aanzien. Maar wie interesseert zich nog in de dogma’s of leringen van de Kerk – religie is immers een persoonlijke vorm van spi- ritualiteit geworden , vrij van dogmatische leerstelling, en wie weet wat van die nauwelijks te vatten moderne natuurkunde? De eerste bevindingen van dat onderzoek werden bereikt in het begin van de 20e eeuw; de kwantumfysica is daar ka- rakteristiek voor. Met dat fundamenteel natuurwetenschappe- lijke onderzoek zijn namen verbonden van Albert Einstein, Max Planck, Erwin Schrödinger, Wolfgang Pauli, Werner Heisenberg, e.a; dat kwam – verrassend genoeg – de mystiek naderbij. Het is dan ook een waagstuk om (christelijke) theologie in het kader van de (moderne) natuurkunde te plaatsten. In het onlangs verschenen boek [1] doet de auteur juist dat: zij be- trekt de bevindingen van de moderne natuurkunde, waaronder de astronomie en kosmologie, op geloofsuitspraken van de (aloude) Kerk. Het zijn de geloofsuitspraken, zoals die in het bijzonder zijn vastgelegd in de geloofsregels en geloofsbelij- denissen van de eerste eeuwen van het christendom. De ondertitel van de genoemde studie – theologie als on- derdeel van de natuurkunde – laat er geen onzekerheid over bestaan: dáárover gaat het. Om theologie zó te benaderen kan menigeen de schouders doen ophalen, maar anderen juist sti- muleren de publicatie ter hand te nemen, of liever te gaan be- studeren, want het is zeker geen eenvoudige stof. De hoofdtitel – Eindpunt, onsterfelijkheid – wekt bovendien de nieuwsgie- righeid op. Hoewel – zoals uit bovengenoemde situatie moge blijken – onderwerpen als christelijke theologie, dogma’s en moderne natuurkunde niet direct zullen aanspreken, blijven de wezenlij- ke vragen over het wezen van de mens, over Christus en over God actueel binnen de westerse, nog ‘christelijke’ cultuur, zij het dat de opgelegde kerkelijke antwoorden – dat zijn de dog- ma’s – op deze vragen niet (meer) worden aanvaard als de waarheid, en zeker niet meer opgelegd willen worden, uitzon- deringen in orthodox christelijke kringen daargelaten. De studie gaat in het bijzonder in op de zojuist genoemde drie vragen. In de woorden van de auteur: Wie en wat is de mens? Is hij een ‘schitterend’ ongeluk of is hij op aarde met een doel en zo ja, wat is dan zijn doel? En wat is zijn taak en toekomst? Als er een God is, wie is Hij dan en wat is de relatie van de mens tot Hem? Wie is Jezus Christus en wat is zijn betekenis voor ons? Uitgangspunten hierbij zijn het Nieuwe Testament en de be- vindingen van de moderne natuurkunde.

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=