Reflectie 6(3) herfst 09.vp

De oorspronkelijke mens Historisch onderzoek maakt duidelijk dat met het ontstaan van de mens een agressief biologisch wezen op de planeet ging rondzwerven. Op het moment dat hij in staat was de wereld met zijn denken te ‘objectiveren’, herinneringen helder op te slaan, plannen voor de toekomst te maken en dat via taal te communi- ceren, kreeg hij op een ongekende en wrede wijze greep op de wereld. Niet alleen de verre homo sapiens, maar ook onze di- recte voorouders, de homo sapiens sapiens die zich tussen 60.000 en 40.000 jaar in een razendsnel tempo vanuit Zuid-Afrika over de hele aarde heeft verspreid, hebben een spoor van vernieling achter zich gelaten. En overal leed veroor- zaakt, vooral aan de fysieke omgeving, de flora en fauna. Onderzoekingen hebben overduidelijk bewijzen gevonden van het uitsterven van een aantal diersoorten op momenten dat de homo sapiens sapiens daar verscheen. Nodig voor het overle- ven van de mens? Er zijn uit die tijd op verschillende plaatsen botten gevonden van schranspartijen van met name grotere diersoorten Wat de mens vond, maakte hij dienstbaar aan zichzelf, ongeacht de gevolgen die dit had. De mens bleek een gewelddadige soort die zichzelf vaak ongekend bevoordeelde en daarmee bewust of onbewust de natuurlijke orde voortdu- rend verstoorde en soms vernietigde. En agressief terugsloeg als de natuur de eigen verdedigingsmechanismen inzette om de natuurlijke orde te kunnen blijven handhaven. Boeddha had daar natuurlijk ook weet van. Zijn tijd was niet anders dan andere tijden. Onderdrukking, lijden en dood waren hem bekend. Boeddha verwijst hiernaar in zijn eerste Edele Waarheid. Maar in zijn mond krijgt deze verwijzing naar de dagelijkse werkelijkheid van het leed ook een diepere bete- kenis. Het gaat hem niet alleen om wat wij onder onrecht en lij- den verstaan. Want, naast de voortdurende frisheid van het leven vanuit de Boeddha-natuur, is iedere menselijke ervaring, goed of slecht, ‘mager’. In vergelijking met de straalkracht van de open en onbegrensde ruimte van het zuivere bewustzijn is alles leed. Niet alleen wat wij normaal gesproken als iets pijn- lijks ervaren. In de ervaring van een Boeddha zijn simpele ge- noegens of enkele extatische ogenblikken eveneens lijden, ‘doekkha’ . Ook zij gaan immers onmiddellijk voorbij. Het kun- nen prachtige golven zijn, een moment spattend en schitterend in de zon, maar als je de diepte en de wijdheid van de oceaan kent, zijn dit maar korte, momentane gebeurtenissen. En als je er aan wilt hechten doet het pijn. Verlossing van lijden Boeddha’s tweede uitspraak luidde: ‘Leed heeft een oorzaak.’ De vraag is natuurlijk: welke? Boeddha kent hier maar één oor- zaak: de fundamentele onwetendheid van de onbewust levende mens. Het ‘normale’ denken van de mens is in de ogen van Boeddha nog steeds onbewust en veroorzaakt daarmee lijden. Voor Boeddha is dit geen zonde, dat woord kent hij niet. Wel een vergissing, een dwaling waar je op terug kunt komen. Hoe? Door naar binnen te gaan en te ontdekken wie je wer- kelijk bent. Want hoe scherp een mens ook kan analyseren, hier- over kan communiceren en zo de omgeving kan beheersen: de mens ziet zichzelf niet. Boeddha vergelijkt het denken met een oog: het kan de uiterlijke wereld in al haar glorie en verschrik- king waarnemen, maar niet zichzelf. Zo kun je met denken de buitenwereld in je macht krijgen, maar dan weet je nog niets over degene die dit ervaart. Dit schijnbare onvermogen van het menselijke denken om de ware aard van zichzelf te herkennen, is voor Boeddha de oorsprong van het lijden in de wereld. Maar de mens kan hiervan verlost worden. Dat is de Der- de Edele Waarheid: ‘Er is een einde aan het leed.’ Hiermee doelde Boeddha op zijn eigen verlichte staat, het beleven van de ononderbroken, onuitsprekelijke staat van bewustzijn die als een zon vanuit zichzelf straalt en zich uitdrukt in een niet- scheidend medegevoel. Is deze toestand ook voor ons bereikbaar? Boeddha be- vestigt dat met zijn Vierde Edele Waarheid: ‘Er is een weg naar het einde van het leed.’ Deze bestaat uit het gebruik ma- ken van universeel werkende, spirituele technieken, zoals zelfonderzoek en meditatie. Volgens de traditie ontwikkelde Boeddha de Vipassana-meditatie , een techniek die nog steeds door mensen van alle mogelijke religies en culturen gebruikt wordt. Door Vipassana wordt het onwetende ‘ik’ ontkracht en ontdekt de mens zijn ware aard. Het is een proces van zelf- observatie met als doel helderheid te krijgen over de ware aard van het menszijn en de geest tot in de diepste lagen te zuiveren van storende emoties. Hierdoor komen natuurlijke eigenschappen zoals liefde, mededogen, vreugde en gelijk- moedigheid als vanzelf tot ontwikkeling. Hiermee komt er een einde aan de ervaring van het leven als lijden. Israëls profeten Boeddha ontdekte dit in de Spiltijd, 2500 jaar geleden. Als we nu in diezelfde tijd een reis maken van Noord-India naar het Midden-Oosten, dan zien we dat toen ook voor Israël de vragen over het lijden centraal stonden in de verkondiging van de profeten. Maar anders dan voor Boeddha moesten deze vragen gesteld worden binnen het door Mozes verkon- digde monotheïsme. Als de Hebreeuwse profeten van de Spil- tijd over de lijdende ‘mens’ nadachten, dachten ze er automa- tisch ‘God’ bij, wiens tegenwoordigheid onlosmakelijk met zijn volk verbonden leek. God was afhankelijk van de men- sen, als Hij op aarde werkzaam wilde zijn. Dat was de ge- dachte die in de Joodse godsvoorstelling tijdens de Spiltijd een heel belangrijke plaats was gaan innemen. Zolang de tempel in Jeruzalem het centrum was van een welvarend koninkrijkje, kon deze gedachte gemakkelijk ingang vinden. Maar hoe kon je hieraan nog vasthouden op het mo- ment dat de grootmachten van het Midden-Oosten bezig waren het Joodse volk te vernietigen? In 587 v. Chr. was Jeruzalem vernietigd en waren de laatste groepen Joden naar Babylon af- gevoerd. Ze zouden daar, ontheemd, ontwricht tot 538 v. Chr. in ballingschap verblijven, ver van hun land en zonder tempel. Ook ver van hun God? De profeten probeerden de moed erin te houden. Eerst, zoals de profeet Jeremia het deed, door duidelijk te maken dat de ballingschap een straf van God was voor de zonden van het volk. En later, toen het lijden en de wanhoop van het volk te groot werden, door het te bemoedigen: God zou zijn volk niet in de steek laten. Dat bleek ook toen de Perzische koning Cyrus in 538 het Joodse volk terug liet gaan naar hun eigen land. De heiden Cyrus, maar tegelijk ‘de gezalfde van God’ – zoals de profeten luid verkondigden – liet het Joodse volk vrijuit teruggaan naar hun land. Eindelijk had God, in de religieuze verbeelding van Israël, zijn rivalen geabsorbeerd. Verwoest land Zo werd in de ballingschap het nu nog steeds vitaal religieuze jodendom geboren. Het had in onmogelijke omstandigheden

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=