Reflectie 6(4) winter 2009.vp

Adieu - Een verhaal over sterven Fennie Kruize Ik lig in mijn bed. Het staat in de kamer. Ze hebben het daar neergezet. Ze willen me graag dicht bij zich hebben, deze laatste tijd. Ik kijk naar ze. Ze zijn van alles aan het doen en tegelijkertijd doen ze niks. Vaak komen ze even bij me zitten. Dan houden ze mijn hand vast. Af en toe stoppen ze een stokje met wat ijswater in mijn mond. Ze strijken ermee langs mijn lippen. Ik lik het na. Het voelt zo vochtig. “Kijk, ze vindt het lekker”, zeggen ze dan. Ze hebben me verteld, dat ik ga sterven. Er is niks meer aan te doen. Ik wist het al een tijdje. Zoiets weet je zelf altijd het eerst. Maar het is goed, dat ze het ook hebben gezegd. Dan weten zij het ook. Ze gaat sterven. Het komt hard bij ze aan. Ze zijn er nog niet aan toe. Ze willen me nog niet kwijt. Ik merk dat aan hoe ze me vasthouden. Soms zitten ze bij me met tranen in hun ogen. Dan strelen ze mijn gezicht en duwen een haarlok weg . Ik begrijp hoe ze zich voelen. Ik heb zelf ook zo vaak aan een sterfbed gezeten. Ik ben nu nog warm. Daar genieten ze van. Ze kunnen me aanraken, me zien. Zo kennen ze me. Zo willen ze me houden. Af en toe grijpt de paniek hen aan. Ineens is er dan het be- sef. Nog maar even, dan niet meer. Soms glimlach ik. Dan worden ze blij. “Kijk eens. Ze vindt het fijn, dat we bij haar zijn. Kijk eens, ze is tevreden. ach....” Soms glipt er ook een traan weg uit mijn ooghoek. Ze den- ken dan dat ik verdrietig ben. Ik weet niet of ik verdrietig ben. Misschien ben ik het een beetje om hen, om dat geredder, dat gedoe om me heen. Ik kijk naar hen vanaf een afstand. Ik ben er nog wel. Mijn lijf ligt hier ook nog. En ik hoor en zie alles. Maar op één of andere manier ben ik er niet bij zoals zij me zien. Zij zien mijn buitenkant, mijn lichaam, mijn gezicht, zoals ik altijd gekeken heb. Hoewel, soms ziet iemand het verschil. “Kijk”, hoor ik dan zeggen, “haar ogen staan anders. Het is net alsof ze al naar binnen kijkt”. Kijk ik naar binnen? Of kijk ik naar mezelf? Wat hier gebeurt, komt me bekend voor. Ik heb dit eerder meegemaakt. Toen ik in dit lichaam geboren ben, toen was het ook zo. Toen zagen ze ook mijn buitenkant. Wat een gedoe was dat. ” Ach wat mooi, wat lief toch, zo’n kleintje. Wat een wonder toch. Alles zit erop en eraan. En kijk eens hoe rose.” En dat ging maar door. Ze zagen van alles aan me. Maar toch klopte het niet. En ik weet weer wat er niet klopte. Ze za- gen alleen maar mijn buitenkant. Mij zagen ze niet. Ze dachten toen dat ik en wat zij zagen hetzelfde was. En nu, nu ik dit lichaam uitga, nu gebeurt hetzelfde. Ik kijk naar mijn lichaam. Ik merk, dat ik aan het loslaten ben. Hier en daar zit nog een stukje vast. Maar ik trek me steeds meer los. Het was goed in dit lichaam te zijn. Soms baalde ik er wel eens van, als het weer te dik was, of in de tijd dat ik zoveel puisten had. Een ook de laatste tijd was het wel moeilijk erin te wonen. Het lichaam paste steeds minder bij mij. Het wou niet meer wat ik wou. “Ik was ziek”, zeiden ze, “ik kon niet genezen. Een beetje uitstel was nog mogelijk”. Dat heb ik ook genomen. Maar nu is het over. “Dit is het laatste”, hoor ik iemand in de kamer zeggen. Het wordt stil om me heen. Ze zitten nu allemaal aan mijn bed. Ik zie dat hij mijn hand vasthoudt. Hij is mijn lief. Zijn hand streelt over mijn arm. Ik zie dat er een traan opvalt. Ik voel dat niet meer. Ik ben los van mijn lichaam. “Luister”, zegt er één, “haar ademhaling wordt anders. Ze valt steeds meer weg.” Ik heb helemaal niet het idee, dat ik val. Het voelt eerder alsof ik aan het vliegen ben. Ik voel me zo licht als een vlinder die wegvliegt op de wind. Nog eenmaal kijk ik naar ze. Ik zou het zo graag willen zeggen. Kijk toch eens anders. Pin je niet zo vast op mijn bui- tenkant. Kijk eens bij mij naar binnen. Ik verlaat dit lichaam, waar ik ooit in geboren ben. Het huis raakt leeg. Maar ik ben niet weg. Ik verhuis alleen maar. Nog even raak ik iedereen aan. Alleen zij voelt het, dat kleine meisje, dat de dood nog nooit eerder heeft gezien, maar het nu ook niet ziet. Ze strijkt over haar schouder. Haar ogen volgen me. “Dag oma”, hoor ik haar in zichzelf zeggen, “tot de volgende keer”. De anderen huilen. Zij zien en voelen me niet meer. Ik hoop dat het niet te lang zal duren, dat ze zien en voe- len, dat ik er nog steeds ben. Even ga ik wat verder weg. Ook zij moeten leren mijn lichaam los te laten. Daar doen ze langer over dan ik. Maar als ze het hebben losgelaten, dan kom ik terug. Ik zal er zijn in hun dromen, onderweg, in de tuin, in die eerste voorjaars- bloem. En voor hem? Misschien in die nieuwe liefde waarin hij niet mij herkent, maar ik hem wel. Adieu. Ik ga op weg naar de wereld waar ik alleen maar hoef te wezen. * * * *

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=