Reflectie 6(4) winter 2009.vp

voedzame schoonheid ontkiemd is vanuit de kerstnacht, de verstilde kern van ons explosieve bestaan. De stille, heilige nacht omvat het Al in zijn oneindige eenvoud. Aan haar ont- springt alles wat van betekenis is voor lichaam, ziel en geest. Onze drievuldigheid dankt leven en bewustzijn aan het eeuwi- ge Zijn, waarvan de kerstnacht een vereerd symbool is. Tij- dens deze gedenkwaardige nacht zwijgt het ego. Het geeft zich over aan de energie van het innerlijke Zelf en viert Zijn ge- boorte in het geopende bewustzijn van de Geest. De essentie van deze middernachtelijke stilte is heiligheid, het gevoel ver- enigd te zijn met de eeuwige kern van het menselijke bestaan. Een Esseense wijze Alles wat in de kerstnacht wordt herdacht, speelt zich af in het verborgene. Alle uiterlijke zinnebeelden verwijzen naar diepe innerlijke werkelijkheden, spirituele processen op kosmische schaal. Wellicht zonder zich daarvan bewust te zijn maakten de evangelisten Matteus en Lukas zich tot tolken van deze mysteri- ën. Ongetwijfeld bevroedden deze auteurs iets van het sameng- rijpen van geest en lichaam in de beeldrijke taal van de vele my- then. Matteus liet de Ster aan de hemel verschijnen, de gids die de drie Magiërs uit de religie van Zarathustra naar de geboorte- plek van de nieuwe incarnatie leidden. Intussen verschenen de engelen aan de hemel om de nieuwgeborene lof toe te zingen. Matteus vermeldde dit niet. Lukas greep de engelenzang aan als hemelse getuigenis van het aardse wonder dat zich in de stal van Bethlehem voltrok. De zang trof de oren van herders in de vel- den van Effatha. Op hun beurt verlieten zij hun kuddes en bega- ven zich naar de stal, waar de vroedvrouw zojuist het goddelijke kind in de armen van zijn moeder had gelegd. Zij wond hem in doeken en legde hem in de voederbak voor het toeziende vee, de kribbe die het kind tot wieg diende. Bijna iedereen kent deze charmante legende, opgetekend in de Bijbel der christenen. Dat het een legende is, bewijst Mar- cus, de eerste schrijver van een evangelie. Marcus, een Ale- xandrijn, wijdt geen woord aan de geboorte. In zijn visie be- gint het leven van Jezus bij zijn doop in de Jordaan, zijn open- baring als goddelijk afgezant. De Joodse Yehoshoea ben Jo- seph, wellicht ben Pandira geheten, was volgens Marcus een onbekende jongeman, wiens eerste levensjaren zich in de ano- nimiteit hebben afgespeeld. Bij hem geen ster, geen koningen, geen engelen, zelfs geen herders en geen stal of zelfs een een- voudige kribbe. Marcus beschouwde de Esseen Yehoshoea als een van de dopelingen, in wie hij de geest van een wijze ver- moedde. Bij Marcus komt Jezus het boek der historie binnen als de wijze leraar, dezelfde kwaliteit die de gnostici aan hem toekennen. En deze wijze leraar, draagt het geheim van de incarnatie de wereld binnen. Het auraveld De Ster en de drie Wijzen van Matteus komen samen met de engelen, de herders, het vee en de kribbe van Lukas en teza- men omranken ze het Kind. Zo ontstaat een mystiek zevental, synchroon met de zeven chakra’s: kribbe (wortelchakra), vee (buikchakra), herders (miltchakra), het Kind (hartchakra), de engelen (keelchakra), de drie wijzen (voorhoofdchakra en de Ster (kruinchakra). Op hun beurt verwijzen de zeven kosmi- sche organen, gesitueerd in het etherisch lichaam, naar ons ze- venvoudige auraveld, samengesteld uit een emotioneel lichaam, een mentaal lichaam en het liefdeslichaam van het hart. Daarbuiten strekken zich het manasisch lichaam (hoger mentaal), het buddhisch lichaam (hoger emotioneel) en het at- misch lichaam (de persoonlijkheid verbonden met het godde- lijke) uit. Dit zevental, samen met de zeven chakra’s, die de kosmische energieën uit de kosmos verdelen over het aura- veld, bezielt het leven. Weliswaar kenden de oude bijbelschrijvers de benamingen ‘chakra” en “auraveld” niet, van hun bestaan waren ze, getui- ge de structuur van hun vertellingen, zeker op de hoogte. Intu- ïtief haakten Matteus met zijn Ster en de drie Wijzen, en Lu- kas met engelen, herders, vee en kribbe, aan bij de oosterse wijsheid, door hun ontleningen aan Perzische en Boeddhisti- sche legenden. Hun verhaal vertelt ons hoe de incarnatie in zijn werk gaat, niet alleen de incarnatie van de Jezusziel, maar ook die van jou en mij. Het tableau Onopgemerkt door het intellect daalt de incarnerende ziel af via de atmische, de buddhische en de manasische sferen naar de veilige behuizing van het hart, het liefdeslichaam van de mensheid. In de mythologie zijn het de grot, de stal en het huis, die symbool staan voor het hartcentrum. Normaal ge- sproken wordt een menselijk wezen geboren door de liefdes- daad van het ouderpaar, een daad waarbij het hart in volle he- vigheid betrokken is. Bevend verleent het hart, ook een zinne- beeld van de baarmoeder, behuizing aan het vruchtbeginsel van de ziel. Het geboorteverhaal omkleedt deze gebeurtenis met zielvolle beelden. Op zoek naar een herberg dalen de hoogzwangere Maria en haar man Jozef af naar Bethlehem. Schrijlings op de ezel gezeten benauwden Maria de krachtig opspelende weeën. “Jo- zef,” zei ze, “til mij van de ezel af, want het kind in mij wil te- voorschijn komen.” Hij deed wat ze gevraagd had en zette haar op haar voeten.”Waar zal ik je heen brengen om je schaamte te verbergen. We zitten in een onherbergzame streek,” hoorde ze hem zeggen. Zijn stemgeluid leek van ver te komen. Moeizaam vervolgden ze hun tocht. Eindelijk zag hij een grot. Haar ondersteunend hielp hij haar naar binnen en nadat hij haar tegen een rotsblok had gezet ging hij op zoek naar een vroedvrouw. Toen ontvouwde zich een merkwaardig tableau. “Ik liep rond en liep niet rond, en ik keek naar de lucht en zag dat hij verstard was. Omhoog kijkend naar het fir- mament zag ik dat alles stilstond. De vogels hingen stil in de lucht. De arbeiders in het veld lagen rondom een schotel met hun handen in de schotel. En zij die bezig waren hun voedsel te kauwen bewogen hun kaken niet. Schapen die werden voortgedreven kwamen niet vooruit en de herder bleef met zijn hand opgeheven staan, gereed om de dieren aan te moedi- gen met zijn staf. Aan de oever van de rivier stonden de gei- tenbokjes met hun stille bekken boven het water zonder te drinken. Plotseling kwam alles weer in beweging.” Met dit vreemde apocriefe verslag doet de schrijver een geslaagde poging om de tijdloosheid van de goddelijke beval- ling te schilderen. De incarnatie ontplooit zich als het ware vanuit de stilte van het universum. Uit het verborgene glijdt het de zintuiglijke wereld binnen. En dat is precies wat iedere zwangerschap zo betoverend maakt. Wat binnen een tijdsbe- stek van negen maanden in het lichaam van de moeder ge- beurt, is niet minder dan een wonder. Uit het niets wordt een volledig mens tevoorschijn getoverd, een totaal bewerktuigd wezen, opgebouwd uit vele miljarden cellen en voorzien van de mogelijkheden van chemische, elektrische en spirituele

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=