7(1)10
De vier edele waarheden van Arthur Schopenhauer Dennis de Kool De inzichten van de Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) vertonen opvallende overeenkomsten met het boeddhisme. In zijn werken heeft hij, al dan niet bewust, een belangrijke brug gebouwd tussen de Westerse filosofie en het Oosterse boeddhisme. Inleiding Arthur Schopenhauer (1788-1860) liet zich met name inspire- ren door Plato en Kant. Daarnaast bevat zijn werk talloze pas- sages die opvallende overeenkomsten vertonen met het boed- dhisme. Bij nader inzien wekt dat geen verwondering, want volgens Schopenhauer lag in het boeddhisme de fundamentele waarheid besloten (WWV2:784). De vraagstelling in dit arti- kel luidt derhalve: hoe komt de invloed van het boeddhisme tot uiting in het werk van Schopenhauer? Dit artikel begint met een korte autobiografische schets van de filosoof. Daarna wordt aandacht besteed aan de twee kernelementen van zijn filosofie, namelijk de wil en voorstel- ling. Daarna zullen passages uit zijn werk worden geciteerd en geanalyseerd die de raakvlakken met het boeddhisme zicht- baar maken. Deze uiteenzetting beperkt zich tot een vergelij- king tussen de inzichten van Schopenhauer en de vier boed- dhistische waarheden, omdat deze tot de essentie van het boeddhisme gerekend kunnen worden. Wil en Voorstelling Arthur Schopenhauer werd op 22 februari 1788 geboren in Danzig, het huidige Poolse Gdansk. Zijn vader was een rijke handelsmagnaat en wilde graag dat zijn zoon koopman werd. Schopenhauer dacht daar echter anders over en koos voor de filosofie. In 1819 verscheen het hoofdwerk van Schopenhauer met de veelzeggende titel De wereld als wil en voorstelling. In dit omvangrijke werk zet Schopenhauer op uiterst toe- gankelijke wijze zijn filosofie uiteen. Het eerste belangrijke element in zijn filosofie is de ‘wil’ die zich overal manifesteert en ons leven determineert. Schopenhauer benadert de wil als een blinde drang, een volstrekt ongemotiveerde en van elke grond verstoken drift (WWV2:447). Omdat deze wil door- gaans niet definitief bevredigd wordt, is ons leven rusteloos. Daarnaast ziet hij de wil als bron van al onze droefenis en al ons lijden (PP2:467). De verklaring hiervoor is, dat de wil door de mens niet herkend wordt als een kenmerk van ons we- zen, maar als individuele uitingen die met elkaar in een con- currentiestrijd verwikkeld zijn. De verklaring voor dit tragi- sche feit zoekt Schopenhauer in een ander essentieel verschijn- sel van deze wereld dat hij “voorstelling” noemt. Ons intellect neemt de verschijningswereld waar aan de hand van de ken- nisvormen ‘tijd, ruimte en causaliteit’ (PP2:161). Volgens Schopenhauer is de wereld van de verschijning om die reden slechts een ‘hersenfenomeen’ (PP2:55). In deze verschijnings- wereld treedt een ogenschijnlijke “veelheid” op, terwijl de we- zenlijke wereld, die van de ongedeelde wil, verborgen blijft. Als gevolg van onze gebrekkig aanschouwende kenvermogens zijn we volgens Schopenhauer nauwelijks in staat de wereld zoals zij in wezen ‘is’ te doorgronden. In zijn werken gaat Schopenhauer uitvoerig in op de verklaring en de oplossing van dit raadsel. De betreffende passages vertonen opvallende overeenkomsten met de vier edele boeddhistische waarheden. De Vier Waarheden De vier edele waarheden van het boeddhisme zijn respectieve- lijk ‘de waarheid van het lijden’ (‘dukkha’), ‘de oorsprong van het lijden’ (‘samudaya’), ‘het ophouden van het lijden’ (‘nirodha’) en ‘het pad dat hiertoe leidt’ (‘marga’). Schopen- hauer refereert in zijn werk vrijwel niet aan het boeddhisme. Hij verwijst slechts eenmaal expliciet naar de vier edele waar- heden van het boeddhisme (WWV2:777). Desondanks bevat zijn werk tal van diepzinnige passages die opvallende over- eenkomsten vertonen met de vier edele waarheden die het cen- trale thema vormen van Boeddha’s leer. De realiteit van leed De eerste edele waarheid van het boeddhisme is, dat we alle- maal in zekere mate lijden (Nhat Hanh, 1999:15). Een deel van het leed is een gegeven realiteit. Daarnaast is er leed waar wij zelf de oorzaak van zijn. Over de realiteit van het lijden laat ook Schopenhauer geen misverstanden bestaan. “Heel het leven is in wezen lijden” (WWV1:456). Het lot van de mens is dan ook ontbering, ellende, verdriet, kwelling en dood (WWV1: 509). Mensen lijden om uiteenlopende redenen. Schopenhauer wijst in dit verband op niet bevredigde behoef- ten, pijnen, angsten, hebzucht en frustraties. De oorsprong van leed De tweede edele waarheid van het boeddhisme is, dat het lijden een oorsprong heeft. Lijden is in belangrijke mate gebaseerd op 10 Reflectie 7(1) voorjaar 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=