7(1)10
Verborgen Geschiedenissen Johan Pameijer Een verrassende verschijning van Jezus in een Ephesisch tuingraf prikkelt al twintig eeuwen lang de verbeelding. Door het ver- schijnen van “Het grote boek der apokriefen”, samengesteld onder redactie van de bekende gnosiskenner Jacob Slavenburg, wordt het aan de vergetelheid ontrukt. Meer dan zestig geheime vroegchristelijke teksten vullen ruim 1100 pagina’s van een le- zenswaardig alternatief voor de Bijbel. In de ogen van de kerkvaders vonden deze manuscripten geen genade, maar ze complete- ren wel degelijk ons beeld van de cultuur in het oude Nabije Oosten. Wat al te gemakkelijk zijn deze getuigenissen van wat er onder de bevolking leefde naar het rijk der fabelen verwezen. Vergeleken met de bekende verhalen uit de canonieke evan- geliën hoeven ze zeker niet minder waar te zijn. Wellicht be- vatten ze informatie die de preutse kerkleiders van die tijd lie- ver niet aan de openbaarheid wensten prijs te geven. Een voorbeeld is een verhaal over de kuise Drusiana, gehuwd met de beruchte veldheer Andronicus, en haar weerzinwekkende minnaar Callimachus. Luister naar de vertelling in de Hande- lingen van Johannes. De onbekende schrijver noteerde het naar aanleiding van een zeer curieuze verschijning van Jezus. In het sombere duister van de grafkamer werd zijn lichtende gestalte plotseling opgemerkt door een lijkenschender. Hij zat op de baar van een dode vrouw. De mysterieformule die hij tot de voorname Callimachus sprak, davert nog steeds als een rol- lende donder door het firmament: “Sterf om te leven”. Geen uit- spraak die je licht vergeet. Waaraan dankte Callimachus het voorrecht van zijn levensbepalende ontmoeting? Het antwoord zal vele lezers verbazen. Hij dankte aan haar zijn onweerstaan- bare begeerte om de vrouw van de veldheer te bezitten. Drusiana had voor een leven in kuisheid gekozen. Zelfs haar man Andronicius mocht het bed niet met haar delen. Heel Ephese scheen daarvan op de hoogte te zijn. De roddels rond- om het stel vulden de lucht van de elegante stad. Callimachus deed alsof hij niets hoorde, vastbesloten als hij was om zijn huwelijksrechten op te eisen. Op een keer vernam hij dat Drusiana dood was. Met het volle gewicht van zijn waardigheid probeerde hij haar tot overgave te dwingen. Ze weigerde en hij bleef aandringen. Toen vluchtte ze in een ziekte, die haar naar de dood sleepte. In de weelderige tuin bij zijn huis liet de veldheer een graf bouwen, waar ze, in aanwezigheid van Johannes, werd bijge- zet. Terwijl hij de deur van het graf afsloot, bekende hij tegen- over de apostel: “Ik waardeer het dat zij rein is gestorven.” Die nacht slopen twee schaduwen tussen de pijnbomen en bremstruiken door naar het graf. Een gedempte stem kraste: “Heb je de sleutel?” Het knarsen van het slot verstoorde de stilte en Callimachus wrong zich onbeheerst naar binnen. Bij het licht van hun fakkel dansten hun schaduwen in groteske figuren over de witte muren en het verstijfde lichaam in graf- doeken. Verteerd door een brandende begeerte begon Calli- machus het ontzielde lichaam van de grafgewaden te ontdoen. Wild scheurde hij ze los, trok ze van het lichaam weg en smeet ze achter zich op de grond. Zijn handlanger, Fortunatus, de rentmeester van Andronicus, hoorde geschokt zijn gemom- pel aan. “Waarom? Waarom? Waarom moest het zo Drusiana? Had dit gedaan toen je nog leefde..”. Bijna was ze ontkleed. Plotseling greep het noodlot in. Een sissende slang “Toen er alleen nog maar een hemd om haar naakte lichaam was overgebleven, verscheen er ergens vandaan een slang, waardoor de rentmeester met een slag werd gedood. De jonge Callimachus sloeg hij niet, maar slingerde zich onder vreselijk gesis om zijn benen.. En toen hij neerviel, kroop de slang om- hoog en ging boven op hem zitten”. De mededelingen in de Handelingen van Johannes zijn sober, maar juist daardoor zo indrukwekkend. De scène verstijft nu tot een bloedstollend ta- bleau, een aanklacht tegen de verstoorde vrede na de dood. Een nacht lang bleef het afschuwelijke tafereel in stand. De eerste zonnestralen verjoegen de ochtendnevels, toen de veldheer Andronicus en de apostel Johannes het graf nader- den. Volgens christelijk gebruik wilden zij in aanwezigheid van de overledene het brood breken, zegenen en het consume- ren... Maar de sleutels waren zoek. Alles wees erop dat het tuingraf was geschonden. De stalen deur hing half open in zijn zware scharnieren. Voorzichtig duwde Andronicus die opzij en keek naar binnen. Zijn ademhaling stokte. Aan de voet van het doodsbed zat een stralende jongeling. De schrijver ver- zuimt te vermelden wie deze jongeman is, maar uit alles blijkt dat Jezus wordt bedoeld. Ook Johannes herkende de meester, wiens geliefde leerling hij was. De liefdevolle blik verdreef alle angst. De zachte stem van Jezus streelde zijn oor. “Ik ben hier om Drusiana. Jij, Johan- nes, zult haar opwekken”. Even zweeg hij om het effect van zijn volgende woorden te versterken. “Ik heb haar zojuist als de mijne aangetroffen”. Na een ogenblik vol geladen stilte ver- volgde hij minzaam: “Ik ben ook hier om hem, die daar op de grond ligt”. Een schok van afschuw doorsidderde Andronicus. Met groot afgrijzen zag hij naast zijn dode rentmeester de slang liggen, die het lijk van Callimachus bijna verpletterde. “Wat moet dat hier? ”,stamelde hij. Ontdaan kreeg hij te horen dat Callimachus had geprobeerd om “zijn zuster” te onteren. De toestand van haar half ontklede lichaam sprak boekdelen. Opwekkingen De gebeurtenissen volgen elkaar nu snel op. Onderbroken door moraliserende toespraakjes en gebeden zijn we achter- eenvolgens getuigen van de opwekking van Drusiana, Calli- machus en Fortunatus. In het verhaal ontwikkelen de twee lij- kenschenders zich duidelijk tot twee aspecten van dezelfde ziel. Callimachus bekeert zich, terwijl zijn alterego Fortunatus de macht van zijn redders vervloekt en terug verlangt naar de dood. Op zijn vlucht sterft hij alsnog aan de gevolgen van de slangenbeet. Maar Callimachus heeft een vol uur nodig om op 16 Reflectie 7(1) voorjaar 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=