7(1)10
verhaal te komen. De schurk begint ons zelfs sympathiek te worden. Drusiana cijferde zichzelf volledig weg. De uiterste onthechting reduceerde haar tot een lijk, maar ze maakte de doorgang volledig vrij voor de intrede van God. Die liet haar herleven in de hoogste regionen van bewustzijn. Hoe haalde een stichtelijke auteur als de vermeende Johan- nes het in zijn hoofd om zo’n aanstootgevende metafoor op te roepen? Het verhaal is rijk voorzien van moraliserende toe- spraken. Wonderen voltrekken zich met alledaags gemak. Wil- de de schrijver echt alleen maar de geslachtelijke liefde ver- oordelen ten gunste van het kuisheidsideaal? Een intelligent man als hij kon toch weten dat kuisheid in extremis het einde van de mensheid inluidt? Vanuit gnostisch perspectief symboliseert Drusiana de we- reldmoeder, die de materie verzaakt. Haar tegenspelers Calli- machus en Fortunatus zou je kunnen vergelijken met de goede en de slechte rover, die aan weerzijden van Jezus met hem ge- kruisigd zijn. De ene bekeert zich, terwijl de ander volhardt in zijn fouten. Nooit zullen we weten in hoeverre onder dit verhaal een historische basis aanwezig is. Was het een louter verzinsel, een pikante metafoor of vond het echt plaats in het lichtzinni- ge Ephese. Het doet er niet toe, nu we weten hoe bizar en ef- fectief de apocriefe literatuur wel is. Oprijzend uit een milieu van mythen en symbolen verwijzen zij ons naar een decadente cultuur in zijn nadagen. Aan de ene kant vind je de naïeve ver- tellingen over de jeugd van Jezus en zijn moeder Maria, aan de andere kant bevinden zich de min of meer mystieke open- baringen van de verschillende apostelen. Daar tussenin brie- ven en fragmenten van vergeten evangeliën. Het boek opent met een reeks agrapha, uitspraken van Jezus, gevonden in veelal niet meer beschikbare manuscripten en soms in de gnostische bibliotheek van Nag Hammadi opgedoken manu- scripten. Soms zijn er ook verrassende confrontaties, zoals de nu volgende afdaling van Jezus in het dodenrijk, voor ons vastgelegd in de Openbaring van Petrus. Dood aan de dood In de roes na de verrijzenis vertelt Jozef van Arimathea aan de hogepriesters Annas en Kajafas, Nicodemus en Gamaliël, dat Jezus in het dodenrijk is afgedaald om een aantal prominente overledenen uit het Joodse verleden tot het leven terug te roe- pen. Onder ede wordt de verklaring schriftelijk vastgelegd. Te middernacht verdreef een groot licht de duisternis en aartsva- ders en profeten raakten in vervoering door het nieuwe leven dat door hun ledematen gutste. Ook Johannes de Doper herrees en hij riep de aartsvaders en profeten op om boete te doen, om- dat ze in de dwaze bovenwereld afgoden hadden vereerd en zelfs zonden hadden begaan. Wie gelooft in de Zoon van God wordt gered, maar wie niet in hem gelooft, wacht veroordeling. Na de herleving van de voorvader Adam en zijn zoon Seth komt Satan de vreugde verstoren. Jezus heeft hem veel kwaad berokkend, hem gedwarsboomd en zijn dienaren vervolgd. Al- wetend en onverzadigbaar dodenrijk, hou je gereed opdat je hem vast kunt pakken als hij komt. Maar het dodenrijk, hier voorgesteld als een boosaardig levende entiteit, twijfelt. Als hij anderen uit het graf kan opwekken, door welke kracht dan ook, kan hij dan wel worden vastgehouden? Onrust bekruipt allen die door het rijk der duisternis verzwolgen zijn. Mismoe- dig klaagt het dodenrijk over buikpijn. De buik der aarde kreunt en steunt. Angstig smeekt het dodenrijk zijn aanvoerder Satan hem niet hierheen te brengen, want als hij komt zal er geen enkele dode voor het dodenrijk resteren. Dan davert er een donderslag door het rijk der doden. Een stem buldert de tekst uit psalm 23: ”Open uw poorten, heer- sers. Eeuwige poorten, ga open, zodat de koning der Ere kan binnengaan.” Het dodenrijk sputtert nog wat tegen, maar tegen de intrede van Jezus is geen poort bestand. Krakend storten de bouwsels in elkaar en de ijzeren sluitbalken worden verbrij- zeld. De boeien vallen van de doden af en in vrijheid wrijven zij hun polsen en strekken hun armen uit naar de binnentre- dende Koning der Ere. Bevreesd merkt het dodenrijk op ver- slagen te zijn. Met een machtige greep houdt de Koning der Ere de Satan in bedwang en roept: “Boei zijn handen en voe- ten, hals en mond met ijzers.” De uitnodiging tot zelfkennis wordt in deemoed aanvaard door het verpersoonlijkte dodenrijk. Nu het zijn eigen kwaad heeft ontmaskerd als een dwangmatige illusie, keert het zich naar de bange Satan. “Terwijl je de Koning der Ere wilde do- den heb je jezelf gedood. Nu ik je zal vasthouden, zul je erva- ren wat het is om kwaad te doen. O opperste duivel, begin van de dood, wortel van de zonde, doel van het kwaad, wat vond je voor kwaads aan Jezus dat je op zijn ondergang uit was?” Terwijl het dodenrijk met Satan in gesprek was, wekte Je- zus de dode aartsvaders, profeten, martelaars en voorouders op, zette hen overeind, bekruiste hen, nam hen onder zijn ar- men en vloog het dodenrijk uit.. Hij begaf zich met hen naar het paradijs en vertrouwde alle rechtvaardigen aan de aarts- engel Michael toe. “Heden zult gij met mij.....” Bij de poort naar het paradijs naderden hem twee oude mannen. “Wie zijn jullie dat jullie de dood niet hebben gezien?” infor- meerde Jezus. Het bleken Henoch en Elia te zijn, de twee die van stond af aan werden opgenomen in de hemel. Terwijl ze met elkaar spraken, naderde behoedzaam een kleine, sjofele man. Hij zag er uit als een bedelaar en droeg een kruis op zijn schouders. “Ik ben met Jezus gekruisigd omdat ik een dief was. Maar aan het kruis zag ik de wonderen die hij deed en ik heb me bekeerd. Toen zei hij tegen mij: “Heden zult gij met mij in het paradijs zijn. Hier ben ik dan. Ik zag jullie aankomen en ben jullie tegemoet gegaan.” Toen spraken de verloste doden uit een mond: “Groot is de Heer en groot is zijn macht.” Het terzijde schuiven door de Kerk van Rome van een niet aanvaarde openbaring was niet tactvol, want het bevat de on- waarschijnlijk positieve belofte aan een doodgewone burgerman en -vrouw dat je geen aartsvader of profeet hoeft te zijn om in het paradijs te worden toegelaten. Zelfs voor een rover die zijn fouten erkent en in de Christus zijn Hoger Zelf herkent, gaat de poort des hemels open. Het paradijs is toch niet het exclusieve paleis voor koningen en prinsen van de geest. Ook degene die juist op tijd de illusie van het ego hebben doorzien, mogen ho- pen op een eervol plekje aan de zijde van God. Juweeltjes Talrijke juweeltjes van deze orde stralen op uit “Het Grote boek der Apokriefen”. Na de verbanning door de Kerk raakten ze in de vergetelheid. Slechts sporadisch dook een los frag- ment op. Gevangen in de studeerkamers van godsdiensthistori- ci bleven zij voor het grote publiek een gesloten boek. Tot de predikant H. Bakels ze in 1922 voor het Nederlandse publiek 17 Reflectie 7(1) voorjaar 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=