7(1)10

ontsloot in een nog altijd fraaie uitgave van de Wereldbiblio- theek. In 1985 voegde dr. A.F.J. Klijn daar een eigen Neder- landse vertaling aan toe. Beide auteurs verrijkten hun uitgave met een eigen commentaar. Ik herinner mij in het werk van Bakels het destijds enig resterende fragment van een Evangelie van Thomas te hebben aangetroffen. Het minuscule puzzelstukje paste naadloos in het in 1945 bij Nag Hammadi teruggevonden Thomasevange- lie. Dit tekent de geweldige vlucht die onze kennis over het vroege christendom in luttele decennia heeft genomen. Wij beschikken nu, behalve over de Bijbel, over een volledige gnostische bibliotheek en een compleet overzicht van de apo- criefen. Het is een teken des tijds, dat het grote publiek nu voor de keuze wordt gesteld om zijn eigen ideeën over het christelijke geloof in volle vrijheid vorm te geven aan de hand van een veelheid aan geschriften. Al lezende versterkt zich het gevoel dat deze apocriefen de tegenstelling tussen de dogmatische orthodoxie en de onaf- hankelijkheid van de gnostici aardig overbruggen Het bij Ankh-Hermes verschenen werk lijkt mij het meest toegankelijke van de drie hier genoemde uitgaven. Jacob Sla- venburg verstaat de kunst om dwars door de intellectuele zwaarte heen te prikken en ons de verborgen geschiedenissen in populaire stijl voor te schotelen. Een verdienste waar iedere geïnteresseerde leek zijn voordeel mee kan doen. De hymne van de parel Afgezien van nogal opvallende onthullingen rondom de krui- siging in de reeds genoemde Handelingen van Johannes, waar- in sprake is van een dansende en lachende Jezus die zijn diep- ste wezen niet identificeert met het gemartelde lichaam aan het kruis, treft ons de schoonheid van de “Hymne van de parel”. Terecht merkt Slavenburg op dat dit gedicht ook buiten de apocriefen bekendheid geniet. Zelf zie ik het als het prototype van gnostisch levensgevoel, vervat in de prins die er door zijn Indische ouders op uit wordt gestuurd om in het verre Egypte een parel te plukken uit een modderige rivierbodem, bewaakt door een gevaarlijke draak. Dit klassieke mythische thema verwijst naar onze eigen zoektocht naar het Hoger Zelf, de Christus, verborgen in het kosmische hart dat in ieder mens klopt. Geleidelijk aan vergeet de prins zijn opdracht. Hij werpt zijn koninklijke gewaden af en ruilt die voor de dagelijkse kledij van het Egyptische landvolk. Maar een koninklijke adelaar brengt hem een brief, afkom- stig van zijn goddelijke ouders, om hem aan zijn opdracht te herinneren. De brief symboliseert de ware leer, de opdracht die aan elk van ons, bij onze incarnatie in dit leven, is meege- geven. “Ontwaak! Sta op uit je slaap en luister naar de woor- den in onze brief. Herinner je dat je de zoon van een koning bent. Besef dat je een slaaf bent geworden. Herinner je de pa- rel waarvoor je naar Egypte bent gestuurd. Herinner je je man- tel die bezaaid is met edelstenen en je purperen mantel waar- mee je je kunt bekleden., waardoor je naam in het boek der helden wordt bijgeschreven.” Deze oproep geldt ons allen. De hele mensheid gaat gebukt onder de slavernij van hebzucht en geldingsdrang. Het lijkt alsof ons dat met de nieuwste uitgave van de Apocriefen nog eens wordt ingepeperd. De parel is zo dichtbij. We dragen hem met ons mee in ons eigen hart en we zien hem niet. In de hymne is de verwerving van de parel maar een koud kunstje. De prins vindt de draak slapende. Zonder noemenswaardige inspanning sluit hij de parel aan zijn borst en onderneemt de terugreis naar het beloofde land van zijn jeugd. Hoe deze gnostische hymne in de apocriefe Handelingen van Thomas terecht is gekomen, weten wij niet. Het zou kun- nen zijn dat de apostel Thomas tijdens zijn missie in het Indi- sche Malabar deze mythe heeft opgevangen en mondeling doorgegeven tot een andere schrijver hem opnam in zijn aan Thomas toegeschreven Handelingen. Feit is, dat dit heerlijke lied lange tijd populair was. De gnostische leraar Mani nam het op in zijn Lichtschat. Ongetwijfeld werd het wijd en zijd gezongen en voorgedragen door ontwaakte stervelingen, die op weg wilden gaan naar de onsterfelijke parel van het hart. Samen met de monumentale uitgave van de Nag Hammadi geschriften verschaft Ankh-Hermes ons met het boek der Apo- criefen een ideaal houvast in deze kritieke tijdspanne. Einde- lijk krijgen wij zicht op een ongecensureerde visie van het christelijke geloof. Als mondige mensen kunnen wij nu op zoek gaan naar de grote waarheden achter de onvergankelijke religieuze overleveringen. Johan Pameijer (Amsterdam, 1930), gepensioneerd kunstredacteur, is werkzaam als vrij-katholiek priester in de kerkgemeente Raalte e.o. Hij is auteur van een flinke reeks boeken op christelijk esoterisch, gnos- tisch en algemeen spiritueel vlak; zie www.vkk.nl (bij kerkgemeente Raalte). Hij is nog steeds werkzaam als auteur van zulke boeken, en met het geven van lezingen. * * * 18 Reflectie 7(1) voorjaar 2010 Het adelaarsjong Er was eens een adelaarsjong dat uit het ouderlijke nest viel en werd grootgebracht door hazen. Het wist niet anders dan dat het ook een haas was; hij vergat wie hij werkelijk was. Vele jaren later hupte het adelaarsjong, dat niet meer wist dat het kon vliegen, door het bos en zag een uil uit in de boom zitten met wie hij wel eens meer een praatje maakte. Plotseling vloog er een adelaar over hun hoofd. “Zie je dat,” zei de uil. “Ja. Dat zie ik ook wel,” zei het het adelaarsjong. “Ja, maar kijk nog eens goed; dat is wat jij werkelijk bent; jij kunt net als die adelaar vliegen. Je bent helemaal geen haas, maar een adelaar.” “Ja maar ik kan niet vliegen. Wat is dat nu voor onzin.” “Goed,” zei de uil. “laten we samen eens naar die hoge heuvel gaan. En probeer dan eens of je echt kunt vliegen, want je kunt je leven lang niet blijven vluchten voor wie je echt bent.” Het adelaarsjong ging samen met de uil naar de heuvel, aarzelde wat, sprong van de heuvel af en spreidde instinctmatig zijn vleugels en …vloog en vloog en vloog. “ Ik kan vliegen! Ik kan vliegen!”gilde het adelaarsjong. “Ik heb altijd geweten wie je werkelijk bent,” zei de uil. “Je bent vergeten wie je was en zie dat wel meer gebeuren. Je was geen haas en altijd ben je een buitenbeentje gebleven; dat was triest en komisch om te zien: Een adelaar die springt als een haas. Dat kàn toch niet! Vlieg, vlieg, naar de hemel en voeg je bij hen bij wie je werkelijk hoort. Je bent geen adelaarsjong meer, maar een volwassen adelaar. Je bent nu wie je werkelijk bent: een Koninklijke adelaar.” Aat-Lambert de Kwant

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=