Refl Herfst 2010 7(3).vp
Zeker Weten Peter van der Wurf Bij de uitvaart van een goede vriend beëindigde ik mijn toespraak met de woorden: “Als ik eenmaal zal sterven, dan zal ik hem ontmoeten. We zullen elkaar herkennen, verheugd zijn en elkaar omarmen. Voor mij is dat geen kwestie van geloven, maar van zeker weten.” Later vroegen sceptische vrienden mij hoe ik dat zo zeker kan weten en ik had daar niet direct een antwoord op . Wanneer weet je iets zeker? In gesprekken over dit onderwerp gebruik ik wel eens het vol- gende voorbeeld. Stel we zijn een wandeling in een onherbergzaam gebied aan het voorbereiden. Van groot belang voor het welslagen van de onderneming is de vraag of het mogelijk is een gevaar- lijke, snelstromende rivier over te steken. Is daar een brug? Een verbinding tussen beide oevers waar je overheen kunt lo- pen zonder natte voeten te krijgen? Reizigers, die het gebied eerder hebben bezocht, vertellen dat er volgens dorpsbewo- ners inderdaad sprake is van een soort brug. Als we nu op pad gaan met de zekerheid dat er een brug zal zijn, dan is dat een zekerheid die berust op ‘horen zeggen’ en op het gegeven dat we onze zegslieden vertrouwen. Is dat ‘zeker weten’? Nee, niet echt, want dat die brug daar is, ervaren we pas als we de brug zien en er overheen lopen. Dat is de zekerheid van de eigen ervaring. Dat is pas ‘zeker weten’. Zeker weten treedt buiten begrenzingen Weten dat ik mijn gestorven vriend ooit zal terugzien veron- derstelt het bestaan van een geestelijke wereld of – om een huiselijker term te gebruiken – de hemel. Immers, als er spra- ke zal zijn van een ontmoeting tussen mijn vriend en mij, dan vindt die plaats in de hemel. Hoe zeker kunnen wij weten dat die hemel er is en wat verstaan wij onder ‘hemel’? In het voorbeeld hebben we ‘brug’ beschreven als een ver- binding tussen beide oevers waar je overheen kunt lopen zonder natte voeten te krijgen. Een dergelijke beschrijving is ook nodig om te weten wat we bedoelen als we over ‘hemel’ praten. De hemel is niet een plek. De hemel kent geen beperking- en van ruimte en tijd. Daarom is het onzin om te zeggen dat iets of iemand in de hemel is, als dat inhoudt dat iets of ie- mand ook buiten de hemel kan zijn. Omdat die begrenzing er niet is, maakt alles en iedereen deel uit van de hemel. Dat geldt niet alleen voor gestorvenen en ongeboren kinderen, maar ook voor alle levende mensen die beschikken over een stoffelijk lichaam. Dat geldt ook voor dieren, planten en mine- ralen. (Teilhard de Chardin zei: De mens is niet een stoffelijk wezen dat het geestelijke ervaart, maar hij is een geestelijk wezen dat het stoffelijke ervaart.”) Is er voor mij een ‘zeker weten’ van het bestaan van deze hemel? De wandelaars, die over de brug lopen, ervaren dat die brug er is. Ze beleven een ‘zeker weten’. Zo’n ervaring is voor ons niet weggelegd, als het gaat om het weten van een hemel. We zullen het moeten doen met dat andere weten: het weten dat berust op vertrouwen in de informatiebronnen. Het is het weten waarmee de wandelaars aan hun tocht zijn begonnen zonder het ‘zeker weten’ van het bestaan van de brug. Zeker weten vanuit reële ervaringsbronnen Over de hemel is natuurlijk heel veel geschreven en gezegd, maar veel daarvan komt niet helemaal overeen met boven- staande beschrijving. Zulke teksten kunnen mijn sceptische vrienden niet overtuigen. Ze hebben geen vertrouwen in die informatiebronnen en ik eigenlijk ook niet. Anders ligt het, wat mij betreft, met goed gedocumenteerde beschrijvingen van ervaringen. Ervaringen die niet te verkla- ren zijn, tenzij je het bestaan van een hemel erbij betrekt. Ik geef een aantal voorbeelden. Er zijn vrouwen, die berichten dat zij vóór de geboorte – soms zelfs nog vóór de conceptie – contact hebben gehad met het geestelijke wezen dat als hun kind geboren wilde worden. Hugo Verbrugh bespreekt in zijn boek Een beetje terugkomen een zestal van deze gevallen [1] . Daarnaast zijn er talloze re- gistraties van uitspraken van kleine kinderen, die wijzen op een voorgeboortelijk bewustzijn. In Een velijnen blad [2] be- schrijft de filosoof Cornelis Verhoeven zo’n gebeurtenis, die zich bij hem thuis aan tafel heeft voorgedaan…: Spontaan hield zijn vierjarig dochtertje een soort van toe- spraak. Ze zei: “Ik vind jullie lieve schatten. Als jullie niet ge- trouwd waren, had ik jullie toch gekozen. Ik wist al dat ik jul- lie had; ik wilde jullie hebben. Toen ik in jouw buik zat, mama, dacht ik al aan jou. Je wist nog niet dat ik erin zat. Jij dacht dat jullie geen kinderen zouden krijgen. Maar toen ik voetbalde, toen voelde jij het. Toen ik eruit kwam, toen zeiden jullie: dat is een meisje, die noemen we Neeltje. En toen ik nog klein was, als ik dan stout was, dan was jij niet boos; want daar kan een babietje niks aan doen; die moet ’t nog leren.” Zeer recent verscheen het fascinerende boek Ik was ooit pi- loot. [3] Het is het verhaal over de dreumes James, die vanaf zijn tweede jaar lijdt aan verschrikkelijke nachtmerries. Zijn ouders komen er na veel gezoek achter dat hij de angst beleeft van een Amerikaanse gevechtspiloot uit de tweede wereldoorlog, die met zijn gevechtstoestel in de strijd tegen de Japanners is ver- ongelukt. James kent de types gevechtsvliegtuigen uit die tijd. Hij kent de naam van een collega van de verongelukte vlieger en, zo zegt hij: “Die verongelukte vlieger….dat ben ik”. Zijn vader, die vanwege zijn christelijk geloof reïncarnatie afwijst, gaat op onderzoek uit om te bewijzen dat zijn zoontje zich vergist. Maar het pakt anders uit. Alles wat de kleine Ja- mes vertelt, blijkt bevestigd te worden door archiefstukken en verslagen van veteranen… Een voorbeeld: James speelt met drie speelgoedsoldaatjes, die hij namen heeft gegeven. Als zijn vader vraagt waarom hij juist deze namen heeft gekozen, dan antwoordt de kleine James (en dat is een “kippenvelmoment” in het verhaal): “Omdat die mij hebben 14 Reflectie 7(3) herfst 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=