Refl Herfst 2010 7(3).vp

Een Vaticaanse schat In Rusland aangekomen liet Notovitch zich aandienen bij de metropoliet van Kiev, een belezen man met een ruime visie. Met gefronste wenkbrauwen moet de patriarch de handgeschre- ven tekst ingezogen hebben, maar zijn reactie was afkeurend. Deze tekst was zeker belangwekkend, inderdaad, maar de uitga- ve ervan zou de Kerk geen goed doen. Ook in Rooms-Kathole- ke kringen kreeg Nicolas het advies om de hele zaak maar te vergeten. Een van de aangesproken kardinalen zou minzaam zijn schouders hebben opgehaald over de onthullingen, alsof het om een boodschappenbriefje ging. Notovitch kon zich nu wel verbeelden dat hij een grootse vondst had gedaan, de Vaticaanse bibliotheek bevatte zeker 63 manuscripten en boeken over Jezus in India. Desondanks liet onze volijverige journalist liet zich niet intimideren. In 1894 gaf hij zijn Tibetaanse vondst uit on- der de titel “La vie inconnu de Jesu Christ” . Bij het samenstellen van de canon werd kennelijk opzette- lijk voorbijgegaan aan de vormende jaren van de jeugdige Je- zus. Marcus wijdt zelfs geen woord aan zijn geboorte en be- gint zijn beschrijving bij het openbare leven. Mattheus en Lu- cas omkleden de geboorte met legendarische beelden, ont- leend aan Boeddhistische en Perzische legenden. Johannes identificeert de lichamelijke Jezus met het mystieke Woord, dat mens werd, maar niet werd begrepen. Een mediamiek evangelie Rond de wisseling van de 19 de naar de 20 ste eeuw dook uit het niets een mediamiek ontvangen Aquariusevangelie op. De schrijver Levi Dowling, die leefde van 1844 tot 1911, was vanaf zijn prille jeugd een ijverig navorser van de wereldgods- diensten. In een uitgave uit 1982 (uitgeverij Schors, te Am- sterdam) staat te lezen: “Met vurige ijver verdiepte hij zich in de studie der etherische vibraties, vastbesloten om de grote mysteriën des hemels voor zichzelf op te lossen. Veertig jaar bracht hij door in studie en stille meditatie en toen bevond hij zich in een staat van geestelijk bewustzijn, die hem veroor- loofde het domein van deze superfijne ethers binnen te gaan en bekend te worden met hun mysteriën.” Levi zou de tekst van “Het eindpunt van de eeuwen” , de oorspronkelijke titel van “Het Aquariusevangelie” hebben ontvangen van Visel, de godin der Wijsheid. De tekst is van belang, omdat in zes hoofdstukken melding wordt gemaakt van Jezus’ verblijf in achtereenvolgens India, Tibet, Perzië, Assyrië, Griekenland en Egypte. Uiteraard is het mogelijk dat Levi het in het Frans geschreven werk van Nicolas Notovitch inmiddels had gelezen. Een onthullende tijdtabel Achterin het boek “Jezus leefde in India” nam de Freiburger auteur Holger Kersten een Indiase tijdtabel op, waaruit valt op te maken dat Jezus voor het jaar 50 van onze jaartelling zijn opwachting maakte aan het hof van de Indiase vorst Gondop- hares in de universiteitsstad Taxila. In het jaar 50 wordt hij ge- zien aan het hof van koning Gopananda en na 50 zwerft Jezus als prediker door Kashmir onder de naam Yuz Asaf. Tussen de jaren 70 en 78 staat een ontmoeting tussen Jezus en koning Shalevahin geregistreerd in een tempel gewijd aan Salomo in de stad Srinagar. Dat is ook de plaats waar Jezus na het jaar 80 stierf. Zijn lichaam werd bijgezet in het graf dat heden ten dage nog aan westerse reizigers wordt getoond. De tijdtabel suggereert dat Jezus zelf rond het jaar 80 nog het vierde Boeddhistische concilie te Harvan in Kashmir zou hebben bij- gewoond. Een geheimzinnig crucifix In Srinagar ontmoette Holger Kersten een deskundige van hoog aanzien, een zekere professor Hassnain. De hooggeleerde heer maakte hem opmerkzaam op een wonderlijke overeenkomst tus- sen de titels Messias en Maitreya. Bij zijn sterven had de tach- tigjarige Boeddha Shakyamoeni de komst van een verlosser- Boeddha voorzegd, die de naam Maitreya zou dragen. Volgens de professor is de naam Maitreya taalverwant aan het Aramese “messhya” en het Joodse Maschiach. (Messias). Hassnain heeft het graf grondig bestudeerd. Twee heiligen zijn er bijgezet. “De sarcofaag van Yuz Asaf staat volgens de Joodse traditie in de richting Oost-West. “Dit is”, schrijft Ker- sten, “een duidelijk bewijs dat Yuz Asaf noch een islamitische profeet noch een Hindoe geweest kan zijn.” Andere bewijzen zijn een crucifix en een rozenkrans, gebeiteld in de grafsteen van de dode. Dat zou wijzen op het gebruik van een kruissym- bool, onafhankelijk, van de marteldood aan een kruis. Twee tijdschalen Los van deze op zichzelf boeiende informatie staan we tegen- over het raadsel van twee tijdschalen. Volgens de schriften- vondst in Tibet verbleef Jezus tussen zijn dertiende en zijn dertigste jaar in het Oosten, maar de gegevens rond het graf in Srinagar doen vermoeden dat hij daar na zijn vijftigste is neer- gestreken en er in zijn tachtigste levensjaar een natuurlijke dood is gestorven. Meer dan twintig jaar van zijn leven besteedde prof. Hass- nain aan zijn onderzoek naar de Indische jaren van Jezus. In dat kader verbleef hij meerdere malen in Alexandrië, de stad van een beroemde bibliotheek en naast een academie ook een grote school voor studie in het Boeddhisme. Uit de Bijbel weten we dat Maria en Josef, de vermeende ouders van Jezus, naar Egypte vluchtten om aan de vervolging door Herodes te ontkomen. Waarschijnlijk bracht Jezus daar een deel van zijn vroege jeugd door en wellicht bezocht hij de Boeddhistenschool, waar hij de kennis opdeed die hem op zijn twaalfde deed zegevieren in het debat met de tempeloversten. Onmiddellijk daarna zou hij, op de vlucht voor een dreigende uithuwelijking, in het gevolg van Boeddhistische geleerden naar het oosten zijn gevlucht. Misschien kwam hij op zijn dertigste terug, maar vluchtte een paar jaar later voor de dreiging uit het Romeinse kamp, opnieuw richting Perzië en India. Het zou allemaal kunnen, maar niets is zeker en bewijzen voor het Indiase verblijf ont- breken evenzeer als voor de kruisdood. Voetafdrukken in het graf Op 29 maart 1997 publiceerde het Algemeen Dagblad een an- derhalve pagina groot interview met prof. Hassnain. Daarin vertelt de geleerde waar zijn interesse in Jezus ontstaan is. Zo- waar in Leh, dezelfde plaats waar Notovitch zijn informatie opdeed. Geruchten over een verblijf van Jezus in een Boed- dhistisch klooster in Ladakh spoorden hem aan in de beschik- bare lectuur te gaan graven. Zowaar vond hij een belangrijke aanwijzing in het boek “Glimpses of World History” van de hand van de Indiase president Jawaharlal Nehru. “In heel Cen- traal Azië, in Kashmir, Ladakh en Tibet bestaat een sterk ge- 17 Reflectie 7(3) herfst 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=