Refl Herfst 2010 7(3).vp

was, deels ook geboden en leefregels voor zijn stads- en stam- genoten een richtlijn hoe hij hen moest benaderen. Jezus Christus heet in de Koran ‘de Masih ‘Isa’. Ook zijn er woorden vanuit de islamitische traditie opgenomen. Het zijn uitspraken die toegeschreven zijn aan Jezus, verzameld door Tarif Khalidi, professor in de Arabische talen aan de uni- versiteit van Cambridge en directeur van The Centre of Middle Eastern and Islamic Studies. De Arabische bronnen van deze teksten dateren uit de 8e tot de 18e eeuw. Deze woorden worden, ter onderscheiding van de Koranteksten, cursief weergegeven. Inleiding in het jodendom Sjema Jisroel, Adonai Eloheinu, Adonai echad – Hoor Israël: de EEUWIGE is onze God, de EEUWIGE is één! (Devariem/ Deuteronomium 6:4). Dit vers geeft de kern weer van het joodse geloof: de proclamatie van het volk Israel dat getuigt van de absolute uniciteit en het bestaan van één God. Maar jood-zijn zegt niet op de eerste plaats iets over je geloofsover- tuiging, als wel iets over je afkomst. Jood-zijn is deel zijn van een volk; het Joodse volk met zijn eigen land (Israël), taal (Hebreeuws), cultuur en geschiedenis. Zelfs met zijn eigen godsdienst – de joodse godsdienst, die vandaag de dag echter niet per definitie door elke Jood wordt gepraktiseerd, al wordt dit vanuit godsdienstig perspectief wel als ideaal gezien. Het Joodse volk en zijn geloof vinden hun oorsprong bij Abraham, aan wie de God van Israël zich voor het eerst open- baart. Opgegroeid te midden van meer-godendom, raakt Abra- ham ervan overtuigd, dat er slechts één God is, die door ons mensen niet is te bevatten/verbeelden. Dit standpunt neemt in het jodendom nog altijd een centrale plaats in. God leidt Abra- ham weg van huis en haard, naar het land Kanaän. Abraham verblijft daar als vreemdeling, maar God belooft hem in Be- resjiet/Genesis 15:18 het land aan zijn nakomelingen in bezit te geven. Het gegeven van het beloofde land, Israël, is ook op alle mogelijke manieren met het jodendom verweven. Door Mozes bevrijd uit Egypte en onderweg naar dat beloofde land, ontvangt en aanvaardt het volk Israël volgens Sjemot/Exodus 24:7 de door God op de berg Sinaï geopenbaarde Tora, het heilige boek van het jodendom. Daarmee raken we aan een volgend belangrijk gegeven uit het jodendom, namelijk dat het Joodse volk door het op zich nemen van de Tora als Gods on- derricht/onderwijzing wordt tot Gods uitverkoren volk, dat wil zeggen een volk dat een voortrekkersrol heeft te vervullen in Gods plan met de schepping: de verwerkelijking hier op aarde van een Messiaanse Wereld van vrede, liefde en gerechtig- heid. Kenmerkend voor het jodendom is de enorme leertraditie – ook wel mondelinge traditie of mondelinge Tora genoemd – die is ontstaan rond de Tora. Behalve tekstuitleg heeft deze traditie zich vooral beziggehouden met de vraag hoe een Jood zijn leven concreet vorm kan geven naar de aanwijzingen ge- geven in de Tora. In al het materiaal dat zich in de mondelinge leer ontwikkeld heeft, kunnen we twee domeinen onderschei- den: de Agada en de Halacha. De Agada is het gedeelte van de mondelinge traditie dat zich niet rechtstreeks bezighoudt met de nadere vormgeving van een leven naar Tora. Ze omvat ver- halen, beelden en gedachten, die het leven naar Tora wel verd- ieping geven, maar niet direct een bepaalde leefwijze aan de gemeenschap voorschrijven. De Halacha is het gedeelte van de mondelinge traditie dat zich wel rechtstreeks bezighoudt met de nadere vormgeving van een leven naar de Tora. Ze om- vat discussies en uitleg, die telkens leiden tot een concrete re- gel die voorschrijft hoe er in een bepaalde situatie naar de Tora gehandeld moet worden. In dit proces loop je natuurlijk voortdurend aan tegen de kloof tussen de leer – de Tora – en een steeds aan verandering en ontwikkeling onderhevige prak- tijk – het leven. Om deze kloof te kunnen overbruggen zoekt de joodse leertraditie niet alleen naar de oorspronkelijke bete- kenis van de tekst, maar is ze vooral gericht op actuele tekstin- terpretatie – de betekenis die we nu op dit moment aan de tekst kunnen geven om hem te kunnen laten functioneren naar de behoeften van dit moment. Op deze manier is het mogelijk dat de Tora het hoofd kan bieden aan alle moderne vragen en pro- blemen die uit de praktijk van een leven naar de Tora opko- men en dat de Tora – en daarmee God – doordringt in elk as- pect van het leven. De vrijheid die deze wijze van Tora-‘uitleg’ kent, leidt er echter ook toe dat één tekst nu op meerdere wijzen kan worden geduid, en dat daardoor dat wat oorspronkelijk zonder tegenspraak, uniform en in zichzelf ge- sloten was, nu in het leerproces komt, veelvormig en vol te- genspraak wordt. Opmerkelijk is hoe het jodendom juist deze verscheidenheid met grote zorg bewaart. Het uitgangspunt daarbij is, dat Gods Woord te groot is om ooit door één me- ning te worden gedekt: Is Mijn Woord niet als een vuur, als een hamer op de steenrots die versplintert?’ – spreekt de EEUWIGE (Jirmeja/Jeremia 23:29). De school van rabbi Jismaël zegt: Zoals de rots in vele stukken versplintert, zo kan één Toravers vele argumenten bevatten (Talmoed Babli Sanhedrin 34a).1 En daarmee heeft ieder recht van spreken; elke worsteling om inzicht wordt geaccepteerd .Want elke mening wordt gezien als de onthulling van een stukje (een splinter!) van de waarheid die Tora in zich bergt. De joodse filosoof A.J. Heschel merkt op: ‘Het Woord is eens gegeven; de inspanning om het te begrijpen moet voor al- tijd doorgaan. Het is niet genoeg om de geboden te aanvaar- den, om zelfs na te leven. Het bestuderen, onderzoeken, navor- sen van de Tora is een vorm van eredienst, een hoogste plicht.’ Maimonides zegt: ‘Iedereen uit Israël is verplicht Tora te le- ren: de arme zowel als de rijke, de jongeling zowel als de grijsaard die groot is geweest, maar wiens kracht is afgeno- men. Zelfs wie arm is en door tsedaka wordt onderhouden en langs de deuren moet bedelen; zelfs wie getrouwd is en kinde- ren heeft – ieder moet tijd reserveren voor het leren van Tora, overdag en ’s nachts, zoals er staat in Jehosjoea/Jozua 1:8: Overdenk haar dag en nacht (Misjneh Tora, Sefer Mada [Boek van Kennis], Hilchot Talmoed Tora [wetten van Torastudie] I, 8].’2 Het wordt gezien als de opdracht van ieder mens en iede- re generatie om deze worsteling aan te gaan. Om de Tora te vertalen naar zijn tijd; om de Tora inpasbaar te maken in zijn wereld, want dat is de ware bedoeling van een onderwijzing. Inleiding in het christendom Christen-zijn wil zeggen: volgeling willen zijn van Jezus Christus, met wiens geboorte te Bethlehem de jaartelling van het christendom is begonnen. Zijn geboorte werd door de eng- el Gabriël aangekondigd aan Maria. Eerder was aan de priester Zacharias de komst van een zoon, Johannes, aangekondigd, die de voorbode zou worden van deze Messias Jezus. De naam Jezus – Grieks voor Jozua –, in het Hebreeuws Jesua of Jeho- sua en in hetArabisch ‘Isa’, betekent ‘God is redding.’ De titel Christus, in het Grieks ‘Christó’, in het Hebreeuws ‘Masiach’ 20 Reflectie 7(3) herfst 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=