Refl Herfst 2010 7(3).vp
en in hetArabisch ‘Masih’ betekent ‘Messias’, ‘Gezalfde’ – gezalfd met de Geest van God (Lucas 4:18). Als volgelingen van Jezus Christus aanvaarden christenen naast de Tanach/het Oude Testament ook het Nieuwe Testa- ment, waarin Jezus Christus woorden heeft gesproken als Woorden van God (Johannes 1:14, 12:49,50). Als drager van Gods Woord en gezalfd met Zijn Geest is hij voor zijn volge- lingen de dienaar die Gods wil volbrengt (Johannes 6:38,39). De Boodschap van God, verwoord door Jezus in het Evang- elie, weergegeven door de evangelisten Mattheüs, Marcus, Lu- cas en Johannes, wordt met name teruggevonden in de zoge- naamde Bergrede in Mattheüs 5-7 en in zijn gelijkenissen in de vier evangeliebeschrijvingen. Ook in de rede over zijn te- rugkomst met daarbij de criteria bij het laatste oordeel (Mat- theüs 25) is de Boodschap duidelijk, evenals in zijn Openba- ring, die hij – volgens de aanhef van het boek – van God ontving en die hij zijn engel heeft laten meedelen aan zijn dienaar Johannes. In gesprekken met zijn twaalf Joodse leerlingen (discipe- len) en met mensen in zijn omgeving gaat Jezus, zelf Jood, re- gelmatig uit van teksten in de Tanach van de Joden, die door de christenen later als het Oude Testament zijn aanvaard. Deze bestaat uit de Tora/Instructie – waarvan naar zijn zeggen geen tittel of jota geschrapt mag worden –, de Neviem/Profeten en de Chetoeviem/Geschriften. In het later geschreven en aan- vaarde Nieuwe Testament zijn behalve de Evangeliebeschrij- vingen en de Openbaring aan Johannes ook de Handelingen en Brieven van Apostelen opgenomen. Oude en Nieuwe Testament samen vormen voor christenen de Bijbel. Ontstaan en ontwikkeling van het christendom Nadat Jezus vlak voor het Pesachfeest door mensenhand was gekruisigd en gestorven, en op de eerste dag na het feest door God uit de dood was opgewekt, heeft hij, voordat hij ten he- mel werd opgenomen, zijn discipelen – later apostelen ge- noemd – de opdracht gegeven: Ga op weg en maak alle volken tot mijn leerlingen, door hen te dopen in de naam van de Va- der, de Zoon en de Heilige Geest, en hun te leren dat ze tot inkeer moeten komen en zich moeten houden aan alles wat ik jullie opgedragen heb. Zij moesten evenwel wachten op de doop met de Heilige Geest en hebben dat biddend gedaan. Tij- dens het joodse Wekenfeest is deze Godsgeest uitgestort. Pet- rus heeft toen met een vurige toespraak gevolg gegeven aan de oproep van Jezus tot verkondiging, en tijdens dit Wekenfeest hebben drieduizend Joden zich laten dopen op de naam van Jezus. Daarna zijn de apostelen de wereld ingetrokken met de oproep tot inkeer, zoals Jezus hun had opgedragen. In Anti- ochië werden de volgelingen van Jezus Christus voor het eerst ‘christenen’ genoemd. In het begin was er als het ware één christelijke familie. Zo heeft Jezus het bedoeld toen hij aan zijn leerlingen de opdracht gaf om zijn boodschap, het evang- elie – in het Grieks ‘goede boodschap’ – aan alle volkeren te brengen, opdat alle mensen in hem zouden geloven. Tot deze eerste christenen behoorden Joden, maar ook mensen die de God van Israël voordien niet kenden. Samen vormden zij de groepen in de steden en op het platteland, die men ‘kerken’ noemde; ‘kerk’ is afkomstig uit het Grieks en betekent ‘van de Heer.’ Iedere groep werd geleid door een ‘oudste’ (in het Grieks ‘presbyter’). Al gauw verenigden deze kleinere kerken zich rond de vijf grote steden van het toenma- lige Romeinse Rijk en werden zo de vijf hoofdsteden van het christendom. De belangrijkste stad was Rome, omdat daar de apostelen Petrus en Paulus gestorven zijn en begraven liggen. De andere steden waren Constantinopel (nu Istanboel), Jeruza- lem, Antiochië (in Turkije) en Alexandrië (in Egypte). In deze steden rezen er al spoedig vragen over de persoon en status van Jezus Christus: was hij goddelijk en/of menselijk? En hoe moet je als navolger van Jezus Christus leven? De antwoorden waren vaak verschillend en daardoor ontstonden er onenighe- den. Ook politieke tegenstellingen bemoeilijkten de relaties. Sommige groepen scheidden zich af en zo zijn verschillende christelijke kerken ontstaan. Velen die zich afvroegen waar de gelovigen zich aan moesten houden, vonden als antwoord in de verschillende evangeliebeschrijvingen richtlijnen van Jezus. Met name zijn Bergrede is bekend geworden. Jezus roept daarin op tot liefde voor de naaste, zelfs voor de vijand, en méér te doen dan het gewone; en om te vergeven tot zeventig maal zeven keer toe. Zo geeft Jezus vaak een interpretatie die verder gaat dan de reeds bestaande opvattingen. In de vierde eeuw vonden ingrijpende veranderingen plaats. Toen na de dood van de senior-keizer van het westelijk rijk zijn zoon Constantijn (de Grote) het bevel van het leger op zich nam en in 312 een overwinning op Maxentius bij de Mil- viusbrug behaalde, interpreteerde hij dit feit als een verhoring door de christelijke God van zijn bede om hulp, en werd chris- ten. Het christendom, dat tot dan toe nog uit gemeenten van vervolgde christenen bestond, veranderde daarna in gevestigde kerken. Sindsdien heeft het christendom vele gezichten gehad, variërend van onverdraaglijk machtsinstituut, dat later zelfs aanzette tot de kruistochten, tot bewegingen die toch steeds weer teruggrepen naar het Evangelie van Jezus Christus – waar Franciscus van Assisi een sprekend voorbeeld van was. Vanaf de vijfde eeuw hebben de oosterse kerken – rond Antiochië en Alexandrië – zich afgescheiden van de andere. In de elfde eeuw kwam er een schisma – een radicale en lange scheiding – tussen de oosterse en westerse christenen, omdat de macht van Rome niet meer door de andere kerken werd er- kend. Zo ontstonden twee grote polen: in het Westen het (rooms) katholicisme en in het Oosten de orthodoxie. In de 16de eeuw ontstond er in het Westen een groep van mensen die zich spiritueel wilden hervormen en terugkeren naar het Evangelie – ‘de reformatie.’ Ze zetten zich af tegen de macht van de paus. Het initiatief kwam van de Duitser Martin Luther en de Fransman Johannes Calvijn. Dit protestantisme raakte later zelf weer onderverdeeld in verschillende groeperingen, zoals lutheranen, hervormden en gereformeerden. Het anglica- nisme ontstond in dezelfde eeuw door een breuk tussen de ko- ning van Engeland en de paus. Christenen over de hele wereld hebben de boodschap van Jezus Christus verstaan en getracht ernaar te handelen. Nog steeds vieren zij enkele van de vroe- gere feestdagen, ook al hebben die een andere betekenis ge- kregen. Het joodse Pesach, herinnerend aan de bevrijding uit de slavernij van Egypte, is voor de christenen samengevallen met het feest van Jezus’ opstanding uit de dood. En het Pink- sterfeest herinnert de christenen aan de uitstorting van de Heilige Geest tijdens het Wekenfeest en de opdracht van Jezus om met Gods Boodschap de wereld in te gaan. * * * * 21 Reflectie 7(3) herfst 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=