Refl Herfst 2010 7(3).vp

aan het eind’ ziet, dat ze dan in een ‘prachtige weide’ stapt en een jonge vrouw in een witte jurk tegenkomt die ‘maar bleef zeggen dat ik terug moest, dat het mijn tijd nog niet was en dat ik nog dingen te doen had op aarde. Ik voelde me heel verdrie- tig … maar herinnerde me toen dat ik drie kinderen had…’ De persoon in één van de verslagen in haar uitstekende overzicht en discussie van de BDE’s door Margot Grey (1985) beschrijft de tunnel ervaring en vervolgt: Je nadert het einde van de tunnel als je een wit licht ziet … Terwijl je er naartoe gaat…wordt het langzamerhand groter en groter…en dan zie je een schitterend mooi blauwwit licht dat… helemaal geen pijn aan je ogen doet. Andere verslagen die door Grey worden aangehaald gaan ook over dit licht en een prachtig landschap. Bijvoorbeeld: Het was … van een totale schoonheid … Het licht was heel fel, maar niet verblindend… ik…voelde absolute vrede… Ik weet alleen dat ik daar was, ik ben er niet bang voor…het is zo in- tens mooi. Al deze verslagen bevatten bepaalde kenmerken van een BDE: het kunnen horen van de diagnose van klinisch dood te zijn, het gevoel van in een donkere tunnel te zweven, de glimp van een helder licht en dan een prachtig landschap aan het ein- de van de tunnel, de afwezigheid van pijn, het geluksgevoel, de opdracht om terug naar het lichaam te gaan en de blijvende overtuiging dat er leven na de dood is. Deze overtuiging is een van de beste bewijzen voor het blijvende psychologische ef- fect van de BDE. De meeste mensen die een BDE hebben ge- had, zeggen dat hierdoor hun angst voor de dood geheel is weggenomen – ze zijn een keer doodgegaan en weten hoe dat is. Dr. Michael Sabom heeft gezien dat tweeëntachtig procent van zijn patiënten met een BDE zegt niet erg bang meer voor de dood te zijn, terwijl zevenenzeventig procent nu nog sterker in een leven na de dood gelooft. Ter vergelijking: slechts twee procent van de patiënten die geen BDE tijdens hun klinische dood had gehad, zei minder bang voor de dood te zijn en niet één zei een sterker geloof in een leven na de dood te hebben. Interessant genoeg blijkt godsdienst geen verschil te maken tussen de mensen met of zonder BDE, wat suggereert dat de godsdienstige verwachting niet van invloed is op het wel of niet optreden van een BDE (Sabom 1982 en 1998). Maar zouden bijna-doodervaringen misschien hallucinaties kunnen zijn? Critici zeggen dat BDE’s gewoon hallucinaties zijn die door de medicijnen, anoxie (zuurstofgebrek) of door een over- maat aan koolzuur in het bloed veroorzaakt zijn en ons daarom niets kunnen vertellen over het sterven of een leven na de dood. Maar deze mening is weerlegd door een aantal autoritei- ten op het gebied van de hersenen en de geest, zoals de neuro- psychiater Peter Fenwick van het LondenseMaudsley Univer- siteitsziekenhuis (Fenwick en Fenwick 1995). In zijn onderzoek van driehonderd BDE’s ontdekte Fen- wick dat slechts veertien procent ten tijde van zijn BDE medi- cijnen kreeg toegediend – en hij wijst erop dat in elk geval de door medicijnen veroorzaakte BDE’s chaotisch zijn, in tegen- stelling tot de spontane BDE’s, die typisch levendig en samen- hangend zijn. Ook zuurstofgebrek wijst Fenwick van de hand, omdat, hoewel deze toestand vaak bij piloten wordt opgewekt als onderdeel van hun opleiding (en vroeger ook bij medicij- nenstudenten), er niemand van hen een BDE heeft gemeld. Bovendien leidt zuurstofgebrek tot disoriëntatie van de herse- nen en verwarring. Hij geeft toe dat teveel koolzuur in het bloed hallucinaties teweeg kan brengen, maar dat daardoor ook spastische spier- trekkingen kunnen ontstaan, die je niet bij BDE’s ziet. Het argument dat BDE’s worden veroorzaakt door endorfi- ne, de pijnstiller die de hersenen zelf produceren, is ook al niet overtuigend, omdat BDE-achtige ervaringen niet door mensen met een hoog endorfinepeil, zoals lange afstandlopers, worden gemeld. Een ander vaak gehoord argument is dat BDE’s veroorzaakt kunnen worden door afwijkingen in de hersenelektriciteit, want er kunnen, als er bepaalde delen van de hersenen met zwak- stroom worden geprikkeld, mystieke ervaringen worden veroor- zaakt. Deze ervaringen echter zijn vaak chaotisch en fragmenta- risch, in tegenstelling tot de samenhangende en betekenisvolle BDE’s. Bovendien kregen de mensen met BDE’s op dat mo- ment geen middelen die de hersenen prikkelen. Het argument dat je BDE’s kunt vergelijken met de ervaringen met psychede- lische middelen als LSD en mescaline, gaat voorbij aan het feit dat, in tegenstelling tot het consistente karakter van BDE’s, deze drugtripjes typisch intens persoonlijk van aard zijn en van mens tot mens heel veel verschillen (zie Groff 1975). Maar het regu- liere ketamine, dat medisch wordt toegepast als een dissociatief verdovingsmiddel (een verdovingsmiddel dat de zintuigen verd- ooft, maar waarbij men niet buiten bewustzijn raakt), brengt soms uittredingen teweeg als het in subklinische doseringen wordt gebruikt. In een recent onderzoek van zesendertig ketami- ne gebruikers, constateerde Ornella Corazza (2008) dat ong- eveer drieëndertig procent van deze mensen er ‘absoluut zeker’ van was dat ze, onder invloed van de drug, buiten hun lichaam traden en in sommige gevallen hun lichaam van bovenaf konden zien. Ook tunnelervaringen, ontmoetingen met engelen en met overledenen en het bezoeken van mystieke plaatsen werden ge- meld – allemaal eigenschappen van de BDE. Het gebeurde veel minder vaak dan bij BDE’s, maar toch meldde zesenveertig pro- cent van de door Corazza ondervraagden dat ze minder bang voor de dood waren door hun ervaringen met ketamine. Ketami- ne wordt niet klinisch toegepast bij stervenden, kan dus de ge- melde BDE’s niet verklaren, maar hoe kan het dan dat sommige hiervan dezelfde verschijnselen vertonen? Het zou kunnen zijn dat ketamine een chemische werking op de hersenen heeft, die te vergelijken is met degene die plaatsvindt tijdens een BDE, maar of dit nu zo is of niet, ketamine kan die gebieden in de hersenen die er gewoonlijk voor zorgen dat de geest het contact met het lichaam verliest, afremmen. Daardoor kan het de condi- ties waarin uittredingen kunnen plaatsvinden, mogelijk maken, wat natuurlijk niet hetzelfde is als ze veroorzaken. Karl Jansen (2001), die niet erg openstaat voor een ander-dimensionele ver- klaring van de ervaringen met ketamine, erkent dat ketamine het de geest onder andere mogelijk kan maken ‘contact’met andere realiteiten te leggen, hoewel hij terecht wijst op de gevaren van het gebruik voor andere doeleinden. Een andere poging van de critici om BDE’s te verklaren is dat de hersenen stervende zijn, chaotisch worden en hun peri- fere voorstellingsvermogen verliezen (vandaar het tunnelef- fect). Maar als BDE’s inderdaad door de stervende hersenen worden veroorzaakt, zou je verwachten dat ze steeds meer on- samenhangend worden, terwijl het juist zo kenmerkend voor BDE’s is dat ze samenhangend zijn. Ook de bewering dat het 23 Reflectie 7(3) herfst 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=