Reflectie 7(4) winter 2010.vp

trouwens voor de hele Helleense wereld waar de Joden toen deel van uitmaakten. Ook in de Helleense beschaving was het openbare leven een mannelijke aangelegenheid waarin vrou- wen niet thuishoorden. En nu wij momenteel zicht krijgen op bijvoorbeeld het China van die dagen, zien wij hetzelfde beeld. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, domineer- den mannen het openbare leven. De mannelijke dominantie, die begonnen was met de invallen van de Indo-Europeanen in het vijfde millennium v.Chr., had zich over bijna de hele aarde gevestigd en daarmee de voorafgaande periode, die we als de periode van de moedergodin zouden kunnen betitelen, groten- deels teniet gedaan. Maar je kunt niet ongestraft een diep ingewortelde behoef- te van de mens teniet doen. Dat merkten de eerste christenen ook. Er waren christelijke, gnostieke stromingen die de vrouw gelijkwaardig aan de man gingen beschouwen, maar dat bleek voor de conservatieve chris- tenen onder leiding van Paulus en vooral van Petrus, als bisschop van Rome, veel te revolutionair. Ook onder hun opvolgers bleef de strijd voortgaan en na een paar eeuwen kregen de conservatie- ve christenen en kerkvaders het vertrouwen van de Romeinse kei- zers, die het conservatieve christendom tot staatsgodsdienst ver- klaarden. Keizer Constantijn de Grote riep in 325 het eerste Oe- cumenische Concilie van Nicea bijeen, waar bijna alle theologi- sche kwesties in het voordeel van de conservatieve christenen be- slecht werden. En waar ook de christelijk-gnostieke stromingen officieel als ketters werden veroordeeld. Op dat concilie vielen er bovendien twee belangrijke be- sluiten. Het eerste was dat de God van Jezus dezelfde was als de Jahweh van de Joodse geschriften. Daarover was in de eer- ste eeuwen veel strijd geweest, want een aantal christenen kon geen overeenstemming zien tussen de wraakzuchtige Jahweh en de Liefdesgod van Jezus. Maar deze christenen werden nu als niet-christelijk veroordeeld. Ieder moest voortaan in de ene Vadergod geloven. Er was maar één Vadergod, de schepper van hemel en aarde, die nu in Jezus met gelovige christenen een nieuw heilsverbond had gesloten. Credo in unum Deum. Een ander besluit was dat Jezus de Enige Zoon van God was, wezensgelijk aan de Vadergod. In het latere Concilie, dat van Constantinopel in 381, werd dit bevestigd en aangevuld met nog een nieuw besluit waarin de Heilige Geest tot gelij- kwaardige derde goddelijke persoon werd verklaard. Hiermee was de kern van de geloofsbelijdenis, die nu nog voor alle christelijke Kerken geldt, geformuleerd. Vader, Zoon en Heilige Geest Voor alle gelovige christenen werd hiermee de beleving van de eigen goddelijkheid, een kernthema van de gnostische christenen, tot een onmogelijkheid gemaakt. Deze Drie-een- heid leeft immers in een eigen, ontoegankelijke wereld. En bo- vendien een typisch mannelijke wereld, waarbij de Vader, de Zoon en Heilige Geest als personen in een onkenbare eenheid met elkaar verkeren. Ook voor de gelovige christenen is dit altijd een nauwe- lijks te verwerken geloofsgoed geweest. Wel met enorm veel invloed. Want het heeft de mannelijke dominantie tot extreme hoogte gebracht. In de hemel heerst de Drie-eenheid, als be- stuurder van de aarde, vertegenwoordigd in de paus en zijn bisschoppen. Het is daarom moedig dat op de Forumbijeenkomst van de VKK op 2 april jl. de mogelijkheid geopperd werd die in een ander perspectief te zien: ‘ Wij zijn de laatste decennia tot het inzicht gekomen dat alles energie is. Het gehele universum is gevuld met energie. Alles wat in het universum bestaat, maakt deel uit van God. De Heilige Drievuldigheid kan ook gezien worden als drie energievelden die met elkaar samenwerken als een Drie-eenheid. Een eenheid die in alles aanwezig is, in elke atoom. Dit sluit aan bij de alomtegenwoordigheid van God.’ (2) Het is duidelijk dat we met deze interpretatie in een nieuwe tijd zijn aangekomen, de 21 e eeuw die afscheid neemt van de strijdlusti- ge, bloedige en typisch mannelijke periode die achter ons ligt. Die ook afscheid neemt van de verschillende dogma’s die in de afgelo- pen periode soms met veel strijd tot stand zijn gekomen. Maria als Moeder van God Want ook het dogma van Maria als Moeder van God is met veel strijd tot stand gekomen. De kerkvaders beseften dat er na de Concilies van Nicea en Constantinopel iets moest gebeuren wat de mensen werkelijk aansprak. Die bleven immers on- danks alles nog het volste vertrouwen houden in de oude moe- dergodinnen. Ook toen de christelijke missionarissen de Ger- maanse gebieden introkken, troffen zij daar heilige bomen en druïden die oude bronnen als heiligdommen van de heidense Moedergodin bleven beschouwen. Het was gelukt om de rondtrekkende wijsheidsleraar Jezus het aureool van de Zoon van God te geven en het geloof in zijn verzoenende kracht en redding kon voelbaar worden ge- maakt. Maar er was grote behoefte aan Grote Moederlijke energie in de Kerk. En die kon niet van de vrouwen komen die in de kerk dienden. Die hadden volgens de Apostel Paulus in de kerk een onderdanige en dienende rol. Die konden niet be- middelen tussen de noden van de gelovigen en de hogere machten, die konden niet doordringen tot in de kern van de Drie-eenheid zelf. Daarom bleven de gelovigen trouw aan de beelden van de oude, heidense moedergodin. Vanuit deze behoefte kwam langzamerhand een theologie tot ontwikkeling waarin Maria, de moeder van Jezus, een steeds belangrijkere rol kreeg. Vooral toen op het Concilie van Nicea Jezus tot enige Zoon van God was verklaard, werd het van- zelfsprekend dat ook zij in status steeg, misschien zelfs een goddelijke status kreeg. Dan alleen zou zij de heidense moe- dergodinnen kunnen evenaren en bestrijden. Cyrillus, patriarch van Alexandrië, was daar een groot voorstander van. Niet dat hij in de praktijk de vrouw in de kerk hoog had. In zijn bisdom moesten vrouwen hun mond houden. Bekend is hoe hij Hypatia, een beroemde wiskundige aan de universiteit van Alexandrië, voortdurend dwarszat, haar met teksten van Paulus demoniseerde en uiteindelijk toeliet hoe zij door een menigte christenen in 415 in de straten van Alexandrië gelyncht werd. Waarna hij de tot een kookpunt ge- brachte menigte christenen aanspoorde de bibliotheek van Alexandrië in brand te steken. (3) Het is uitgerekend deze barbaarse vrouwenhater die grote invloed had op het dogma van Maria als Moeder van God. Zijn tegenstander was Nestorius, de patriarch van Constanti- nopel, die op theologische gronden bezwaar maakte. Cyrillus vroeg de keizer in 431 een derde Oecumenisch Concilie bijeen te roepen en wel in Efeze, de stad met een unieke traditie van de heidense godin Artemis (4) . De keizer keurde dat goed en Cyrillus kwam vanuit Ale- xandrië een week eerder in Efese aan dan Nestorius en maakte daarvan gebruik om de vergadering van bisschoppen plechtig 7 Reflectie 7(4) winter 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=