Reflectie 7(4) winter 2010.vp

Wonderbaarlijke Sterfbedvisioenen Rudolf H. Smit In het verlengde van het onderzoek naar bijna-doodervaringen (BDE) ligt het onderzoek naar de zogenoemde sterfbedvisioenen. Dat fenomeen krijgt steeds meer aandacht, want de overeenkomsten met de BDE zijn op zijn minst opvallend. Laat ik dit be- lichten aan de hand van twee erva- ringen zoals die opgetekend zijn in de boeken van Peter Fenwick: The Art of Dying , en Chris Carter: The science of the Near-Death Experience , en waaruit blijkt hoe bijzonder indru- kwekkend deze visioenen kunnen zijn, ook voor de fysiek aanwezigen in de sterfkamer. Zo ver- telt Fenwick in The Art of Dying over de volgende casus: ‘In 1968 was de moeder van Sheena Harden erg ziek. Op een nacht toen haar ziekte op zijn hoogtepunt was, zag zij aan het voeteinde van haar bed iemand staan. Het bleek haar vader te zijn, die echter kort daarvoor was overleden. Hij glimlachte naar haar. Ze wilde met hem meegaan en trad aldus uit haar lichaam, maar haar vader schudde zijn hoofd en liet weten dat het haar tijd nog niet was. Maar dat als haar tijd wel kwam hij er zou zijn om haar te halen. Welnu, tien jaar later, in januari 1978, lag de moeder van Sheena Harden weer in het ziekenhuis, erg ziek na een zware operatie. Sheena: “Toen ik haar op een middag opzocht begon ze te praten over wat ik moest doen nadat ze was heengegaan. Ik vroeg haar waar ze dan heenging. Haar antwoord was: ik ga dood. Immers, haar hele familie was haar die middag komen bezoeken – en daarmee bedoelde ze haar moeder, haar broer en haar zuster die echter allemaal gestorven waren in de acht jaren daarvoor. En die hadden gezegd dat ze nú op haar wachtten in de hemel en dat het dus tijd voor haar was om te gaan. Haar vader, die er kennelijk ook was, had haar opnieuw beloofd dat hij haar zou komen halen. Ze beschreef hen staan- de in een halve cirkel rondom haar bed en ze zagen er allemaal heel gelukkig uit. Blijkbaar vond ze het heel fijn ze allemaal weer te zien. Natuurlijk was ik hierover een beetje van slag, maar ik nam er tegelijkertijd niet veel notitie van. Mijn vader had kort daarvoor de doktoren gevraagd hoe het met haar was, en die beschouwden haar als zijnde aan de beterende hand ( “on the mend” ) en hoewel haar herstel langzaam zou gaan, was ze be- slist buiten levensgevaar. Maar… mijn moeder stierf plotse- ling in de vroege uurtjes van de volgende dag.’ Hier volgt een casus zoals beschreven in het boek van Chris Carter en die afkomstig is van twee verpleegkundigen die de casus van nabij hadden meegemaakt (in mijn vertaling): ‘Su, een oude en statige Chinese dame ontving toegewijde verzorging van haar dochter Lily. Beiden waren Boeddhist en aanvaardden dat moeder Su termi- naal was. “Ik ben 93 jaar en heb een goed leven gehad”, zei ze, “ik ben nu lang genoeg geweest op deze Aarde.” Ze droomde vaak over haar echtgenoot die enkele jaren daarvoor overleden was. “Ik zal gauw bij hem zijn,”zei ze. Maar op een dag leek ze wat ver- baasd. “Waarom is mijn zuster bij mijn man?” vroeg ze, “Ze roepen me allebei om te komen.” “Is uw zuster dan dood”, vroeg één van de twee verpleegkundigen. “Neen, ze woont nog steeds in China”, antwoordde ze, “ik heb haar in jaren niet gezien!” Toen de zuster dit vertelde aan dochter Lily was die hoge- lijk verbaasd en in tranen. Ze zei: “Mijn tante in China stierf twee dagen geleden. We besloten dit niet aan moeder te vertel- len – haar zuster had dezelfde soort kanker. Het was een heel pijnlijke dood; ze leefde in een afgelegen dorpje waar geen goede medische voorzieningen beschikbaar waren. We wilden onze moeder niet van streek brengen, omdat ze zelf zo ziek is.” Toen de moeder op de hoogte werd gebracht van de ziekte en dood van haar zuster, glimlachte ze en zei: “Nou begrijp ik het”. Ze stierf drie weken later – in vrede.’ Ter afsluiting nog een verhaal dat werd verteld aan de beroem- de psychiater Elizabeth Kübler-Ross: Het betreft de casus van een Amerikaans-indiaanse vrouw die op een weg werd aangereden. De automobilist die het gedaan had, reed door en liet de vrouw dus voor dood langs de weg liggen. Een andere automobilist stopte wel voor haar, en kon nog enkele woorden met haar wisselen. Zij vroeg hem naar het reservaat te gaan naar haar moeder om te vertellen wat er met haar was gebeurd. Ze zei er ook bij dat ze haar vader had ge- zien – kennelijk had zij een sterfbedvisioen gehad. De vrouw overleed, en nadat een ambulance haar lichaam had opgehaald, reed de man honderden kilometers om, naar het reservaat om de moeder van de aangereden vrouw te vertellen wat er was gebeurd. Hij hoorde toen van de moeder dat juist die ochtend haar echtgenoot, dus de vader van de aangereden vrouw, ook plotseling overleden was… De aangereden vrouw had dat onmogelijk kunnen weten… Deze ontroerende verhalen zijn veelzeggend en bieden veel troost. Ze kunnen niet zonder meer worden afgeschreven als hallucinaties van een stervend brein, zoals maar al te graag wordt beweerd door mensen die hier niets van willen weten. * * * * 32 Reflectie 7(4) winter 2010

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=