Reflectie 7(4) winter 2010.vp
speurder naar het juiste geheim achter de Ark. Terwijl de Chi- nese en Turkse onderzoekers de opgegeven maten terugver- taalden naar westerse meters en zichzelf daardoor op een dwaalspoor zetten, herkende Weinreb in de getallen 300, 50 en 30 een woord, weergegeven in de getalswaarden van de Hebreeuwe letters shin (300), noen (50) en lamed (30) Deze drie letters vormen de componenten van het woord “lashon” dat eenvoudig “Taal” betekent. Als dat nog onvoldoende bewijs is voor de stelling dat de mythologische Ark in feite de abstracte godentaal spreekt, wijst Weinreb op de Hebreeuwse naam voor de ark: “Teba”. De betekenis daarvan bevestigt het intrigerende geheim van Noachs reddende vaartuig. Die luidt namelijk “Woord”. Woord en Taal ondersteunen de oplossing van de metafoor volgens welke de Ark van Noach het Woord is dat de mens door de tijd draagt. Ongetwijfeld kende de evangelist Johan- nes dit goed bewaarde geheim, toen hij zijn evangelie begon met de intrigerende spreuk “In den beginne was het Woord”. God had de wereld immers sprekende geschapen. Dankzij onze rationaliteit, onze drang om voor alles on- weerlegbare bewijzen te verzamelen en onze behoefte de schepping een materiële onderbouw te verschaffen, weten wij dat waterstof het oerelement is, waaruit alle andere elementen zijn voortgekomen en dat trillingsfrequenties de subatomaire golfbewegingen beheersen. Ongezocht kwam de wetenschap achter de, in metaforen verpakte, geheimen van de Bijbel. De cirkel begint zich te sluiten. Onze bijbelse auteurs heb- ben niet gejokt. Ze gaven ons legio raadsels op, zoals de Ja- panse Zen-Boeddhisten met onmogelijke haiku-symbolen strooien. Onze vertrouwde Bijbel is in werkelijkheid een her- senkraker, een breinbreker met als enige doel een doorbraak naar de geest te forceren. Het Abraham-mysterie Ten slotte ben ik u nog het antwoord schuldig op de vragen wie Abraham in werkelijkheid was en wat het zoonsoffer ons te zeggen heeft. De oplossing van het eerste raadsel is afkom- stig van de grondig geïnformeerde mystica Helene Blavatsky. De aartsvader, die zich in Ur vestigde, was van oorsprong een Indiër, een Brahmaan. Om helemaal precies te zijn, hij was geen individu, maar achter zijn naam verbergt zich een volks- oproer van mensen die het Brahmanisme de rug toe keerden, wellicht vanwege het gehate kastenstelsel. In een goed georga- niseerde volksverhuizing trokken zij westwaarts en creëerden zo hun eigen exodus. Hun leider wilde niet-Brahmaan zijn en kreeg dus de naam A-bram. Zijn vrouw, de later tot Sara ge- ëvolueerde Sarai, heeft zonder twijfel iets te maken met de goddelijke gade van de Indische oppergod Brahma, met de naam Sarasvati. Brahma en Sarasvati transformeerden in Abraham en Sara. Onder deze namen legden zij de grondslag voor de Joodse godsdienst. Het zoonsoffer Welk geheim zou achter het bizarre zoonsoffer verborgen lig- gen? In een van mijn boeken heb ik verondersteld, dat deze door Godzelf vermeden daad het einde van het gebruik van mensenoffers markeerde. Achteraf lijkt dit een exoterische verklaring, terwijl er een esoterische op de loer ligt. De hoog- bejaarde anekdote zou wel eens een verrassende actualiteit kunnen bezitten. Wij leven op een kentering der tijden. Van ‘binnenuit’ wordt ons bewustzijn verhoogd, verruimd en verdiept. Juist nu wij drei- gen onze ‘geliefde zoon’, de ‘Christus-in’ons’, te offeren op het altaar van het materialisme, komt God tussenbeide en maant ons om in plaats daarvan het ‘dierlijke-in-ons’ op te geven. De beproeving van Abraham om zich onder het banier van een andere stamgod te mogen scharen, wijst overdrachtelijk naar onze actuele situatie. De reikwijdte van de goddelijke re- actie spoelt als verfrissend bronwater door onze door hebzucht vergiftigde breinen. “Nu weet ik dat gij godvrezend zijt en uw zoon, uw enige, mij niet hebt onthouden”. Ons kritieke tijds- gewricht vraagt dringend om bezinning op onze daden. Deze boodschap uit een ver verleden zou wel eens verstrekkende gevolgen kunnen hebben voor het voortbestaan van de mens- heid. Het probleem van onze gemeenschappelijke toekomst ligt besloten in Matteus 6:24. Wie willen wij dienen, God of de mammon. Daarom herhaal ik met grote instemming de wij- ze woorden van Johannes de Doper: “Hij moet groeien, ik moet minder worden.” Johan Pameijer (Amsterdam, 1930), gepensioneerd kunstredac- teur, is werkzaam als vrij-katholiek priester in de kerkgemeente Raalte e.o. Hij is auteur van een flinke reeks boeken op christelijk esote- risch, gnostisch en algemeen spiri- tueel vlak; zie www.vkk.nl (bij kerkgemeente Raalte). Hij is nog steeds werkzaam als auteur van zulke boeken, en met het geven van lezingen. * * * Reflectie 7(4) winter 2010 17 O de duisternis, waaruit ik stam, ik heb u meer lief dan de vlam die de wereld omringt, want het vuur legt een cirkel van licht, waarbuiten niemand van u wordt bericht Maar het duister houdt alles bij zich: vormen en vlammen, dieren en mij, het slurpt ze op, mensen en machten Het kan zijn dat een grote kracht vlak bij mij opkomt. Ik vertrouw de nacht. Reiner Maria Rilke
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=