Reflectie 7(4) winter 2010.vp
De onoverwinnelijke zon De traditie boetseerde hem uit het materiaal van talrijke voor- beelden: Osiris, Dyonisos, Mithras, om er enkelen te noemen. Zijn geboortedag valt op het feest van de rijzende Zon, de on- overwinnelijke Sol Invictus, hoogfeest op de heidense kalen- der. Elke winterzonnewende voltrekt zich in de donkere aarde een mystiek wonder, de natuur herstelt zich. In stilte viert ze haar onsterfelijkheid. De Zon kust de Aarde, de geest Gods zweeft op de wateren en een stem roept ons toe: “Ga en wees vruchtbaar”. Een keten van ongrijpbare gebeurtenissen zorgt voor groei en bloei. Het kleed van de Aarde kleurt in feestelij- ke tinten. Ieder voorjaar concretiseert zich de metafoor in de opstanding van de natuur. Christus is opgestaan. Leve zijn overwinning op de dood. De natuur is de sierlijke manifestatie van bovennatuurlijke levenskracht. Om dat krachtig te profileren, creëerden de an- tieke redacteuren drie achtereenvolgende scheppingsverhalen. De bekende schepping in zeven dagen is de vergelijken met de bouwtekening van de architect. Vervolgens komt de aannemer aan de beurt. Hij leest de tekening en realiseert samen met zijn arbeiders het lijnenspel in de ruimte. Ten slotte dienen de be- woners zich aan, die leven brengen in het bouwwerk. Waaraan zijn de drie bouwfasen te herkennen? Geest, ziel en lichaam De zevendaagse schepping ligt geheel in de lijn van de idee- ënleer van Plato. Na de zevende dag, de rustdag van de schep- pende bouwmeester, bestaat er nog niets concreet. De geest van de schepping ligt voor ons in grote lijnen. Het tweede scheppingsverhaal vult de leemtes op met psychische structu- ren. Eerst is er de damp, er zijn rivieren en er groeien bomen en uiteindelijk komt de mannin tevoorschijn uit een rib (het hart) van de man. In dit verhaal concretiseren zich de door de geest om- zweefde wateren van het oerbegin. Wateren symboliseren de ziel. Het lijkt nu gerechtvaardigd om hier van een psychische schepping te spreken. De zintuiglijk waarneembare wereld staat in de steigers. Nu wacht nog de lichamelijke of materiële fase, het zichtbaar worden van de schepping. Deze derde fase wordt beschreven als het wegsturen uit het paradijs van het eerste mensenpaar, nadat het heeft gegeten van de boom, die de dualiteit symboliseert. Ga en wees vruchtbaar. Baren in pijn en hard werken voor de kost is de opdracht die de vertrekkende mensenkinderen wordt nageroe- pen. Met lede ogen zien we het tweetal vertrekken, de wereld in. Cherubijnen met bliksemende ogen bewaken de toegang tot het paradijs, waarin ze pas kunnen terugkeren, nadat ze de illusie van de dualiteit hebben ontsluierd. Daarvoor treedt de Mensenzoon uit de mist van onwetendheid naar voren. Christus de ingewijde De historische Jezus was misschien de man, wiens sporen tot in Tibet zijn gevolgd, maar die ook in de Griekse mysteriën is ingewijd. Daar ontving de Israeliet Jehoeshoea door zalving de inwijdingsnaam Chrestos. Jehoeshoea, de ingewijde, meld- de zich aan de boorden van de Jordaan om volgens de traditie van zijn volk de rite van zelfonderzoek in de vorm van de doop te ondergaan. Niet eerder voelde hij zich competent ge- noeg voor zijn onderwijs aan de wereld. Geheel volgens de mysterietraditie van het oude Griekenland leerden we hem kennen onder zijn vergriekste inwijdingsnaam: Jezus de Chris- tus. Na zijn doop trekt hij de woestijn in, verblijft daar veertig dagen en weerstaat de verleidingen door Satan. Ook deze me- tafoor laat zich herleiden tot ons bestaan in de wereld (de 40) en haar talloze verleidingen. Gedreven door het Woord leerde Jezus ons het vlees te spi- ritualiseren. Dat demonstreerde hij tijdens de bruiloft te Kana en veranderde hij de ziel (water) in geest (wijn), de twee paar- genoten in het heilige huwelijk. Onze Bijbel beschrijft de weg van eenwording dwars door de rimboe van botsend materialisme heen. De allereerste ver- zen maken ons tot getuigen van de splitsing der geslachten, waarna in het slothoofdstuk de geslachten weer samenkomen. Man en vrouw heffen de dualiteit op in de bruiloft tussen het Lam en de bruid. De oerchristen Philippus heeft dat in zijn gnostische evangelie kernachtig verwoord: “Toen Eva nog in Adam was, bestond de dood niet. Als zij opnieuw binnengaat, zal de dood er niet meer zijn”. Het vleesgeworden Woord heeft gesproken, maar werd niet begrepen. De ark van Noach Dat brengt mij tot de aanleiding van dit verhaal. Enigszins tri- omfantelijk maakt een recent artikel in De Telegraaf (zaterdag 16 oktober 2010) melding van een opzienbarende ontdekking. Naar alle waarschijnlijkheid zou de fameuze Ark van Noach ge- vonden zijn op de berghellingen van de Ararat. Een film laat een vaartuig zien met stallen, deurtjes en pinnen voor het vast- leggen van de dieren. Resten van touw, stro en hooi zijn gevon- den, alsmede keramische voederbakken en zelfs voedselresten. En dat na 5000 jaar diep onder de grond te zijn begraven. Noach zou er tegen de tachtig jaar aan hebben gewerkt, maar dat was een schijntje, vergeleken bij zijn uiteindelijke leeftijd van zes- honderd jaar. Ondanks mijn spottende toon hebben Chinese en Turkse onderzoekers serieus aan het project gewerkt. Vele oudheidkundige opgravers traden in de voetsporen van de theologen, die alle metaforen comprimeerden tot histo- risch verifieerbare waarheden. Van Jezus zijn geen sporen ge- vonden. Geen enkel traktaat uit zijn tijd noemt zijn naam. De bijbelse archeologie klopt nauwelijks met de beschrijvingen. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat alle onderzoek naar de historiciteit van het Manna, van de aartsvader Abraham en de Drie Koningen tot dusver vergeefse moeite was. Tot de ont- dekking van de Ark van Noach, het vaartuig dat Noach op ge- zag van God bouwde om aan de zondvloed te ontkomen. Eens te meer berust deze vermeende ontdekking op de vooronder- stelling dat de Bijbel van kaft tot kaft wetenschappelijk controleerbaar moet zijn. De taal en het woord Vrijwel zeker zijn de Aziatische schatgravers gestuit op de resten van een oude boerderij. De Ark is immers ook zo’n wonderbaarlijk knap gecomponeerde metafoor, het archetype van het reddende hartbewustzijn dat de mens door de verblin- de wereld draagt. Zie het als het bijbelse equivalent van het Gulden Vlies, de Heilige Graal en de Smaragden Tafel. De nauwkeurigheid van sommige bijbelse auteurs heeft door de eeuwen heen de onderzoekers op het verkeerde been gezet. De precieze maten van de Ark doen denken aan een bouwtekening, maar volgens Friedrich Weinreb wijzen die maten op heel iets anders. Met een lengte van 300 ellen, een breedte van 50 ellen en een hoogte van 30 ellen graaft deze 16 Reflectie 7(4) winter 2010
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=