Reflectie 8(1) voorjaar 2011.vp
20 Reflectie 8(1), voorjaar 2011 door het leven manoeuvreren, wat op zich ook begrijpelijk is. Maar als het er werkelijk op aankomt een prijs voor die vrij- heid te betalen, haken toch veel mensen af. Ingedut Duyndam verbleef ooit in Poona en is sannyasin en heeft dus de massale belangstelling voor Osho meegemaakt. Nu is het vol- gens hem een soort kerk geworden. “Ja, het zal me niet in dank worden afgenomen, maar ik meen het! Het was toen de meest bruisende levende spirituele stroming die ik in mijn leven ge- zien en ervaren heb. Mensen gingen open, waren blij, het leven spatte ervan af, maar toen hij stierf, zakte het vrij snel in elkaar en als je kijkt naar de mensen die toen zo bruisend en levend waren, is dat nu wat ingedut. Ik kom wel bij zo’n reünie-gebeu- ren, maar het is toch een wat grijze-muizenfestival geworden. Het is niet meer wat het was, maar het is de vraag of we dat zo erg moeten vinden, want er zijn veel andere dingen gaande die ook bruisen en leven en het zijn ook sannyasins die daar weer nieuwe inspiratie uit putten. De boeken van Osho zijn nog steeds heel actueel en bereiken ook niet- sannyasins die daar weer door geïnspireerd worden. Je kunt het zien als een estafet- te, het stokje wordt doorgegeven. Er zijn veel sannyasins die zich toch nog wat vastklampen aan het oude, fijne gevoel, maar Osho is er niet meer. Het vuur dat de basis was, is vrijwel uitge- doofd. Het heeft te maken met de dood van de meester, zoals je dat wel meer zag. Dat is toch de grootste inspiratiebron. De kern valt toch weg en als de “priesters” het overnemen is de spirit ge- woon minder aanwezig. Osho zei ook toen hij nog leefde: “Doek de boel maar op en ga naar andere mensen die tot helder- heid zijn gekomen.” Maar, tegenstrijdig als hij was, zei hij ook weer dat het moest doorgaan. Het is ook begrijpelijk en menselijk dat dit gebeurt. Het verwordt tot een organisatie en het is in Poona nog steeds zo- als Osho stierf. Niemand durft het roer om te gooien, terwijl Osho steeds wisselde van structuur en regeltjes.” Het is boeiend te zien hoe de tijd van echt grote leraren die massa’s mensen trekken passé lijkt te zijn, al zijn er helaas nog wel politieke rattenvangers van Hamelen die grote groe- pen trekken, maar ook dit zal hopelijk wel weer voorbij gaan. Osho heeft zelf ook eens gezegd dat de tijd van grote meesters zal overgaan in een tijd waarin kleinere leraren zou- den opstaan; het zou zich verspreiden en versnipperen, het zou allemaal minder grootschalig worden en daar heeft hij gelijk in gehad. Van Duyndam: “Toch hebben leraren als Krishnamurti, Marasji en Osho de mensheid tools in handen gegeven om verder te gaan op de weg van spiritueel ontwaken, zoals dit in deze tijd toch gaande is. Mensen worden bewuster, maar voor- al ook kritischer en zitten niet meer zo te wachten op een goe- roe of meester die hen de weg wijst. Ze zijn de weg naar bin- nen gegaan en gaan hun eigen-wijze weg. Mensen hebben geen Messias nodig, maar ontdekken de messias in zichzelf ”. Turkse mythologie Ook bijv. de Turkse mythologie geeft een veelheid aan beel- den, die ons laten zien dat de mens eens zelf een stralend licht- wezen was, hoe dat licht doofde en hoe tijdens dit proces ook de omgeving veranderde: Oorspronkelijk waren de mensen lichtende wezens…… In die tijd was er geen zon en geen maan; deze waren ook niet nodig, want de mensen straalden zelf; hun lichtgestalte was wijd uitgespreid en zij waren onsterfelijk. Toen is er iets ge- beurd en het gevolg daarvan was, dat het licht, dat de mensen uitstraalden, langzaamaan doofde, waarna tevens de wereld om hen heen donker werd. De menselijke gestalte schrompel- de in en haar levensduur werd tijdelijk. Omdat God medelij- den had met de mensen, plaatste Hij zon, maan en sterren aan de hemelkoepel, opdat zij op aarde hun weg konden vinden. Sommigen zeggen, dat de mens nog steeds krimpt en dat hij uiteindelijk zo klein zal zijn als een duim. Dan zal Maitere komen en zal er een omwenteling zijn. De wereld is niet altijd geweest zoals deze er nu uitziet. Vroeger was het hemeldak veel kleiner, maar het gat in het dak was veel groter en iedereen kon rechtstreeks met de goden spreken; de goden waren heel dichtbij, want de hemelkoepel was veel minder hoog. Op een dag was er een vrouw die klaagde over rook en tocht in de wereldtent. Zij vond, dat het toch wel wat erg benauwd was. Toen kwam de reus Yelbegen, die de hemeltent heeft uitgerekt, maar het gat waardoor men met de goden kon spreken, werd daardoor verkleind en nu is het zo klein en ver weg als de Poolster; de mensen kunnen niet meer met de goden spreken. Die reus bleek ook wel wat ruw te werk gegaan te zijn, er zitten heel wat gaten in het hemeldak, maar daar doorheen schijnt tenminste het licht van de goden. Er zit zelfs een dunne plek in het uitspansel, die men de Mel- kweg noemt. In de buurt van het Zevengesternte – Ülker – moet wel een erg groot gat zitten, want de herfststormen blij- ven er vanaf november de hele winter maar doorheen blazen. De goden, die boven de nachtelijke hemelkoepel wonen, zijn nieuwsgierig naar de mensen. Zij werpen af en toe een vluchtige blik op de aarde door een scheurtje in de hemeltent. De mens die het geluk heeft dit te zien, staat op dat moment oog in oog met de goden. Hij vangt een glimp op van het lichtrijk, waaruit hijzelf eens werd geboren. Dit is het moment van een vallende ster. Alle wensen gaan op dat ogenblik in vervulling, want de hemeldeur staat op een kier en de mens kan zich met zijn wens rechtstreeks tot de goden wenden. Er ontvonkt een sprankje hoop, een lichtpunt op de donkere aarde, waarop de mens zich als sterveling, ondanks alle duisternis, richten kan. * * * (1) Erik van Zuydam: De ontdekking van het NU. Het antwoord op al je vragen is dit moment zoals het is. Ankh-Hermes 2010. www.inzicht-nu.nl Voor de biografische gegevens van Lambèrt (Aat) de Kwant, zie artikel De Opinie van... De menselijke gedachte is een macht, even werkelijk, even reëel als een motor met honderden paardenkrachten. De kracht van de gedachte kan genezen of doden. Zij heeft wonden gesloten, die geen balsem helen kon. [uit: M. Kojc: “Het Leerboek des Levens”, 17de druk, Uitg. Servire]
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=