Reflectie 8(3) herfst 2011.vp

Hazrat Djalallu’ddin Rumi Ook hij gaat ons voor naar ‘2012’ Rachel Sonius (IIlustratie van een miniatuur uit een Iraanse agenda) De kruier rent op de zware last af en neemt haar van anderen over, omdat hij weet dat lasten de basis zijn voor gemaken bit- tere dingen de voorbode zijn van geluk. Zie de kruiers kibbe- len om het vrachtje! Zo gaan zij te werk die de waarheid zien. (Masnavi II, 1834 – 1937) Vluchten of vertrekken ? Het is niet eenvoudig om 2012 te koppelen aan een artikel over Rumi (1207 – 1273), met daarin opgenomen een boekre- censie over de uit de beroemde Masnavi geselecteerde dieren- verhalen, of toch wel? Want ook in zijn tijd migreerden men- sen, op de vlucht voor slechte koningen, op de vlucht voor vernietigingen van hele gebieden. Iedereen kent vast nog wel uit de geschiedenis de verhalen van de plunderingen van de Mongolen, onder leiding van Tjingis Chaan, wat Grote Leider betekent, een aangenomen titel (ca.1162 tot 1227) ; zijn eigen naam was Temüjin. In de periode van 1218 tot 1224 veroverde hij Turkestan, Transoxanië en viel hij Perzië en Oost-Europa binnen. Hij moordde hele bevolkingen uit, met veestapel en al, vernietigde al hun bezittingen, waardoor ook veel van de in boe- ken opgetekende (innerlijke) kennis verloren ging. Denken we aan Heersers, die het soms op een akkoordje met Temüjin gooi- den, om vijandige volken aan te vallen, maar die uiteindelijk zelf ook in handen vielen van deze rücksichtslose heerser. En zo gebeurde het, dat de vader van Djalallu’ddin besloot, Balkh te verlaten. En niet te vertrouwen op de woorden van een toenma- lig heerser dat het zo’n vaart niet zou lopen. Djalallu’dins vader was een bekend leraar en geleerde, die het verstond de mensen en zijn leerlingen in de madresse (religieuze scholen) te bezielen met het vuur van de liefde voor God. Hij was een rechtvaardig en ernstig man, die zijn leven baseerde op de Koran en de Sun- nah. De Sunnah, waarin uitspraken van de profeet Mohammad, die veel van wat er in de Koran stond, kon verduidelijken. De familie vertrok omstreeks 1210 uit Balkh, gelegen in het hui- dige noordwesten van Afghanistan, met ‘bestemming onbe- kend’. De reis ging over Nishapur, waar een ontmoeting plaats- vond met een andere grootvorst van de mystiek, Farudd’din Attar. De overlevering vertelt dat Attar zeer onder de indruk was van Djallau’ddin, getuige Attars uitspraak: “Wat een verba- zingwekkend gezicht! Daar gaat een rivier (de vader,red.) die een immense oceaan (Djallallu’ddin, red.) met zich voortsleept” en “Deze zoon van jou is voorbestemd om vuur in vele harten van de wereld te ontsteken”. Voort ging het, naar Bagdad, waar zij werden onthaald door Sheik Shehabe’ddin Sührewardi, een van Bagdads beroemdste geleerden. Daar bereikte hen het nieuws dat Balkh in handen van de Mongolen was gevallen. Djalallu’ddins vader voorzag ook de val van Bagdad en waarschuwde de Sheik voor de komst van de Mongolen. Toen trok hij met zijn kleine karavaan verder naar Mekka voor een pelgrimage, dan naar Medina alwaar zij de graftombe van de Profeet Mohammad bezochten. Op naar Jeruzalem. En van Jeruzalem naar Damascus. En daar kreeg Djalallu’ddins vader een openbaring dat zij moes- ten vertrekken naar Anatolië, om zich daar te vestigen. Inmid- dels was ook Bagdad in handen van Temüjin gevallen. Zo kwam het dat de familie van Djalall’uddin zich vestigde in het huidige Karaman (destijds Larende, in de nabijheid van Ko- nia). Er werd een madresse voor de vader van Djalallu’ddin gebouwd en de jongen volgde daar zijn vaders onderrichting- en; hij studeerde dag en nacht. De faam van zijn vader ver- spreidde zich in die jaren naar Konia, van waaruit een uitnodiging kwam van Sultan Allaeddin Keykubad. Konia was in die tijd een stad waar soefies, geleerden en religieuzen uit allerlei tradities samen kwamen. Iemand van aanzien kon zeker een uitnodiging verwachten. Opnieuw on- dernam men de reis, maar nu om zich voorgoed in Konia te vestigen. 24 Reflectie 8(3) najaar 2011

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=