Reflectie 8(3) herfst 2011.vp

Niets nieuws onder de zon Ook vandaag de dag zijn vele mensen op de vlucht voor hard- vochtige regimes, voor oorlogsdreiging, of ‘gewoon’ om hun lege maag te vullen. Maar al te vaak worden vele landen op dit moment geteisterd door natuurrampen, grote droogte of tsunami’s. De wereld is op drift geraakt. De ene schokkende gebeurtenis na de andere voltrekt zich, ook in het Westen. Er is onrust en onvrede en er wordt naarstig gezocht naar snelle oplossingen om het tij te keren. Maar zoals altijd wordt er in de rampspoed een nieuw inzicht geboren. Dat was zo, vroeger, en dat is nog zo. Konden we maar allemaal de eenheid, die aan ons hele bestaan ten grondslag ligt, zien, ervaren. Konden we maar allemaal de wisselwerkingen ontdekken. Konden we maar allemaal begrijpen dat wat ooit in het verleden is ge- beurd, wellicht vandaag zijn weerslag vindt, en daar lering uit trekken. Konden we maar allemaal begrijpen dat juist liefde- volle dienstverlening een oplossing kan zijn voor de huidige toestanden in de wereld. Maar …er zijn ‘tegenbewegingen’ aan de gang. We zien tekenen ervan immers in onszelf en anderen; tekenen van een dieper bewustzijn. We zijn op zoek naar onze eigen (innerlij- ke) stabiliteit in een veranderende wereld. We zijn meer op zoek naar de betekenissen van de verschijnselen. We zoeken naar een ideaal om voor te leven, en pogen te begrijpen wat ‘mens zijn’ eigenlijk betekent. We zijn op zoek, hoeveel moei- te dat ons ook kosten mag, naar een eenheidsbeleving . We po- gen de afgrond tussen Schepper en schepsel te overbruggen door Hem te zoeken in onszelf. De laatste woorden van Djalallu’ddins vader waren: “ Streef ernaar om een pagina van het boek van het hart in het geheugen te prenten, zodat de betekenis ervan met je ziel tot de eeuwigheid ermee overeenstemt. Na de dood zal alleen liefde je bij de hand nemen.” De kindertijd van Djalallu’ddin in Balkh was er een van het lui- steren naar hymnen van oudere derwishen, van luisteren en bij- wonen van de onderwijzingen van zijn vader, en tijdens hun tocht naar Konia raakte de jongen bekend met de beroemde ge- leerden en soefies van die tijd. En hij geloofde, na de dood van zijn vader die daar begraven ligt, dat hij in Konia moest blijven en noemde de stad “De stad van de metgezellen van God”. Met zijn vrouw en kinderen bewoonde hij enkele cellen in de madresse; en de studenten en volgelingen van zijn vader verzamelden zich rondom hem, hoewel hij zelf niet echt ge- loofde in staat te zijn z’n vader op te volgen. Tot het nieuws hem bereikte dat ‘een nieuwe zon van verlichting’ Anatolië had bereikt. Deze ‘Zon’ bezocht hem en ‘bescheen’ hem en zo werd Djalallu’ddin volgeling in plaats van Sheik. De naam van de nieuwkomer was Shams-i-Tabriz. De ‘Godmens’ Shams-i-Tabriz Alles wat Djalallu’ddin had geleerd en aan kennis en inzicht had vergaard, scheen te vergaan in de nabijheid van Shams die onvoorwaardelijke gehoorzaamheid eiste. Hij vergat zijn leer- lingen, hij vergat zijn rustige, geordende en zekere bestaan, hij vergat zijn vrouw en kinderen, hij vergat de plichten die hij had in de gemeenschap, en trok zich met Shams terug op on- herbergzame plaatsen waar hij niet gestoord kon worden. “De opperste Monarch had de deuren stevig toegegrendeld. Heden is Hij in de deuropening verschenen, gehuld in het ge- waad van stervelingen”. (Rumi) Maar Shams had zich vijanden gemaakt. Hij was autoritair en zelfbewust, boezemde ontzag in, en men was bang voor zijn bijtende spot. En de leerlingen van Djalallu’ddin vergaten hun meester niet, en gingen na de nodige beledigingen en spotternij aan het adres van Shams uiteindelijk over tot ge- weld. Shams vluchtte, maar Djalallu’ddin haalde hem terug naar Konia. Opníeuw vluchtte Shams, naar Damascus… een wanhopige Djalallu’ddin achterlatend. In deze wanhoop, uit en door dit verdriet en deze pijn van gemis, ontstond ‘de stroom der poëzie’, hij speelde zijn muziek met ongekende weemoed en verlangen, en zijn gedichten wekten een gevoel van onbeschrijfelijke schoonheid op. Voor Djalallu’ddin was Shams de Godmens. Hij schrijft: ‘De Godmens is dronken zonder wijn, de Godmens is ver- zadigd zonder vlees, de Godmens is verbijsterd en ontzind, de Godmens heeft noch voedsel, noch slaap, de Godmens is een vorst in dervishkleed, de Godmens is een schat in bouwvallen, de Godmens regent parelen zonder wolken, de Godmens straalt de glans van honderd manen uit, de Godmens schijnt het felle zonlicht dood, de Godmens wandelt in der waarheid licht, de Godmens put geen wijsheid uit de boeken, de Godmens kent noch boos, noch goed; geloof is hem gelijk aan ongeloof, de Godmens is het donkere niets ontkomen, de Godmens schrijdt met vorstelijk gevolg, toch leeft er geen, verborgen als hij, Shamsi Din. Het doel des levens is : “de Godmens vinden” . Shams-i-Tabriz keerde nog éénmaal terug. Opgehaald door Djalallu’ddins zoon. Enkele weken later werd hij op geweldda- dige wijze om het leven gebracht. Door wie blijft in nevelen ge- huld. Shams-i-Tabriz was voor Djalallu’ddin de goddelijke Ge- liefde, het Ene Wezen, naar wie hij met hart en ziel hevig bleef verlangen. Uiteindelijk vond hij Shams in zijn eigen hart. Tot de Ene: vroeger, nu, in 2012 en tot in de Eeuwigheid. Het soefisme kent bepaalde oefeningen die een mens helpen dichter bij de Ene te geraken. En Hazrat Inayat Khan gaf de wereld een gebed, Saum, dat eindigt met: “Trek ons nader tot u, ieder ogenblik van ons leven, tot zich in ons weerspiegelen moge, Uw genade, Uw heerlijkheid, Uw wijsheid, Uw vreugde en Uw vrede” . In de Vrij-Katholieke kerk zegt de priester na de commu- nie-uitreiking: ”Onder aardse sluier zijn wij nu in mystieke gemeenschap verbonden met onze Heer Christus. Weldra zullen wij Hem met ongesluierd gelaat aanschouwen en, ons verheugend in Zijn Heerlijkheid, naar Zijn beeld en gelijkenis worden veran- derd. Dan zullen Zijn discipelen in grote vreugde worden ge- bracht voor het glorierijke Aangezicht van Zijn Vader”. Die tekst en het Postcommunio: ‘…verkwikt zijn door Uw hemelse gaven…’ en ‘…uw genade zo in onze harten zij ge- grift, dat zij zich in al onze handelingen openbare… door 25 Reflectie 8(3) najaar 2011

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=