Reflectie 9(1)vj2012.vp

Boek van het Eeuwige Leven Voorpublicatie met instemming van de uitgever Ankh-Hermes Willem Glaudemans Inleiding De Hemel is geen plaats, en evenmin een toestand. Het is louter een gewaarzijn van volmaakte Eenheid. (Een Cursus in Wonde- ren, T18.VI.1:5-6) We zijn in onze samenleving de kunst van het sterven kwijtgeraakt. We zijn kennis verloren over het leven na de fysieke dood. Deze twee feiten houden onmiskenbaar ver- band met elkaar. We hebben de dood ver- bannen naar de randen van ons bewustzijn als een nare bijkomstigheid, waaraan je tij- dens je leven liever geen aandacht schenkt. En daarmee hebben we ons ook de zuive- rende invloed ontzegd die de dood op ons huidige leven kan uitoefenen. Je gaat hier en nu bepaald anders leven, als je weet wat er na de dood gebeurt. Doordat we niet meer weten wat ons aan gene zijde van de sluier te wachten staat, bereiden we ons er niet op voor en richten we ons leven er ook niet naar in. We zijn bang voor de dood. Dat kan betekenen dat we de dood ontkennen, dat we het idee van een leven na de dood als onzinnig van de hand wijzen, dat we ons er helemaal niet mee bezig willen houden, laat staan ons ervoor klaar maken. En zo leven we in onwetendheid verder, met angst, met ont- kenning, en zonder een schitterend vooruitzicht. En toch is het simpel. Het eigenlijke sterven is in zichzelf simpel en pijnloos, niet moeilijker dan het uitdoen van een jas, of het ontwaken uit een droom. Alleen als we ons verzetten, ondergaan we een doodsstrijd, en worden de momenten vóór het sterven lastig en pijnlijk. Dankzij kennis van het leven aan de andere kant van de sluier, is het niet meer nodig bang te zijn, of een doodsstrijd te leveren. Ieder heeft de mogelijkheid in rust en vrede deze doorgang te maken, zowel bij een plotse- ling sterven als bij een langdurig ziekbed. Een goede voorbe- reiding is het hele werk. Er is aan gene zijde alleen maar liefde die ons opvangt en omhult. Dat is wat mij het meest ontroerd heeft bij het schrijven van dit boek en de inzichten die ik kreeg: de aanwezigheid van zoveel begeleiding en immense liefde bij elke stap, bij elk as- pect, in elke lichtsfeer weer. Wanneer we dat weten, hoeven we niet meer bang te zijn. We kunnen er nieuwsgierig naar uitkij- ken en ons er in vrede aan overgeven. Het is niet langer een ge- heim, de sluier is dun geworden en de poorten staan open, alle benodigde kennis is langs vele wegen voor ons beschikbaar. Voor het schrijven van dit boek heb ik van al die wegen gebruik kunnen maken. Er zijn talrijke boeken verschenen over bijna-doodervaringen, over uittredingen en reizen buiten het lichaam, over mensen van wie een gestorven geliefde hen liefdevol vertelt hoe het er aan gene zijde uitziet. Daarnaast zijn er de vele doorgevingen aan mediums, de oude gnostische en hermetische ge- schriften over hemelreizen, de visioenen van mystici en zieners, en een grote hoe- veelheid oude en jonge esoterische kennis. Ook is er wetenschappelijk onderzoek ge- daan naar verschillende bewustzijnstoe- standen, die frappante overeenkomsten ver- tonen met de verschillende dimensies aan gene zijde. De meeste van deze verschil- lende, onafhankelijke bronnen bevestigen elkaar wederzijds, het verhaal vertoont gro- tendeels één lijn. Dat verleent het betrouw- baarheid. Maar dit alles betekent niets, als het niet van binnen ergens resoneert. Ik ging steeds meer aanvoelen wanneer zich onmiskenbaar waarheid aan mij openbaar- de, en dat innerlijk weten is mijn uiteinde- lijke richtsnoer geweest. En dan was mijn ervaring dat zo’n nieuw inzicht zich steeds volkomen logisch en vanzelfsprekend in het geheel voegde. Ik ben van jongs af aan nieuwsgierig ge- weest naar de dood en het leven daarna. Ik weet nog dat ik als tiener een boek las over een heilige sadhoe die de hemel kon zien en daar verslag van deed. Ik was dagenlang onderstebo- ven, vol verwondering en vreugde, ik was boven mezelf uitge- tild, in een andere bewustzijnstoestand, die me troost gaf en me ook déze wereld heel anders liet zien. Zo’n piekervaring heb ik door de jaren heen nog diverse keren gehad bij het le- zen van andere boeken die authentieke ervaringen aan gene zijde van de sluier beschreven. Ik zie het nu zo dat mijn ziel hierdoor telkens werd aangeraakt en ging trillen, en er iets in mij steeds verder openging dat al heel lang lag te wachten, een lichtzaad dat langzaam tot bloei kwam. Toen ik een jaar of 16, 17 was maakte ik vaak lijstjes van de boeken die ik later wilde schrijven, daar stond steevast op: Hemelboek. Die belofte doe ik nu na veertig jaar gestand. Het was een onvermijdelijkheid. En tegelijk een onmogelijke opgaaf. Iets beschrijven wat vol- gens veel mensen niet bestaat (maar dat doet alle fictie). Iets be- schrijven wat niet in woorden is te vatten (maar dat doet alle po- ëzie). Iets beschrijven waarvan we volgens velen niets kunnen weten, omdat er nog nooit iemand is teruggekeerd uit de dood. Mijn kinderen zeiden: ‘Pa, hoe kun je daar nu over schrij- ven, je bent er toch niet geweest?!’ Het is inderdaad een on- mogelijkheid als je er zo naar kijkt. Maar het is niet waar dat je er nooit geweest bent. Je bent er zelfs vaker en veel langdu- riger geweest dan hier op aarde. Die kennis ben je vergeten toen je incarneerde, en hoeft slechts op de juiste tijd opnieuw te worden wakker geroepen. En er is nog iets wat het tot een moeilijke onderneming maakte. Ik heb tijdens mijn onderzoek naar gene zijde al snel begrepen dat iedere ziel in de eerste lichtsferen precies te zien 8 Reflectie 9(1) voorjaar 2012

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=