Reflectie herfst 2012.vp
De Ziel als duurzame begeleider Jaap Kouwe We zeggen, dat Gods schepping bezield is en dat alles in de schepping bezield is en dus een ziel heeft. Is dat zo? Het vraagstuk rondom de ziel wordt vaak met de nodige omzichtigheid of zelfs terughoudendheid benaderd. Je hoort zeggen dat alleen de mens een ziel heeft en ‘de rest’ van de schepping niet. Hoezo ‘de rest’? In zijn boekje ‘The lives of animals’ begeeft J.M. Coetzee zich even in de discussie of dieren een ziel hebben (1). Hij weerlegt Descartes’ stelling: een dier leeft als een machine. Als het dier al een ziel zou hebben, dan kan dat niet anders zijn dan in dezelfde zin als een machine een accu heeft. Coetzee houdt simpel: “Le- vend zijn is een levende ziel zijn. Een dier – en wij zijn allemaal dieren – is een belichaamde ziel”! De ziel als doel De mens heeft een ziel, maar daarmee weten we nog niet waar de ziel in ons rust, wat de ziel beroert, activeert en waaruit de ziel bestaat. Als we elkaar vragen wat de ziel nu echt is (en dat is de vraag die Parcifal aan ons voorlegt (2) , dan vervallen ve- len in algemeenheden. Het beste dat men hoort zijn soms half- slachtige citaten van wat anderen, bij een poging daarover iets op papier te stellen, waagden. Komen we daarmee verder? Sommigen wel, om vervolgens het onderwerp ‘ziel’ weer te laten rusten. Het kan ook anders en graag verwijs ik bij deze naar het boekje ‘Windstilte van de ziel’ van J.J Hermsen (3) . Susan Smit verzucht in haar boek ‘Vloed’ (4) : “Het is de ziel, die om en in het lichaam zweeft. De ziel, die zachtjes pro- testeert of verrukt jubelt. De ziel laat zich gemakkelijk over- stemmen door verstand, bezwaren, verlangens, angsten. Soms lijkt het of zij zich het zwijgen laat opleggen, niets doet dan krachteloos luisteren, maar uiteindelijk doet haar macht zich altijd gelden. De ziel zal geen genoegen nemen met iets wat op liefde lijkt. Er achter komen wat de ziel van je wil – dat is het moeilijkste wat er is.” Aldus hebben we de fase verlaten, dat de ziel alleen maar een verzinsel, een ideetje is van de rede (ratio) zoals Kant stelt (zie bij Coetzee). Waar moeten we dan zoeken om dichter bij het begrip ‘ziel’ te komen? Misschien wel dichter bij huis dan we verwachten. In ‘Stellingen over de ziel’ worden enige uit- spraken opgevoerd (5). Wat mij daarbij opvalt is, dat hoe vager de begripsvorming, des te verder deze af ligt van ons dagelijk- se leven. Men haakt aan bij nog veel diffusere begrippen als God, tijdloos, immaterieel, emanatie etc. Om toch een begin te kunnen maken over hetgeen ik naar voren wil brengen, sluit ik mij aan bij de Egyptische uitspraak: “de ziel is wat de mens in zijn leven kan bereiken”. Helaas is het in het dagelijkse leven al moeilijk om de an- der duidelijk te maken wat we willen, wat we bedoelen, wie we zijn, etc. We gebruiken daarvoor woorden, zinnen, gelaats- uitdrukkingen, muziek, kleuren, gebaren, etc. En toch blijven misverstanden zich opstapelen. Met elkaar van gedachten wis- selen over een begrip ‘ziel’ is daarenboven nog veel moeilij- ker. Ik waag een poging, maar het blijft behelpen. Gouden sleutel Een vaak verguisd begrip in de opvattingen over een geeste- lijk, spiritueel of onthecht leven is ‘de persoonlijkheid’. Voor velen is een (sterke) persoonlijkheid een onoverkomelijke hin- dernis, een bedreiging zo u wilt, om te komen tot enig inzicht in de niet-stoffelijke kant van de mens (zo die bestaat!) of zo- als Parsifal het noemt “de blauwdruk van ons Godswezen” . Ik deel de mening niet dat de persoonlijkheid ons kan hinderen in onze ontwikkeling of zoektocht naar wie wij werkelijk zijn. Ik neem liever het uitgangspunt over van Pythagoras: “de per- soonlijkheid is voor een ieder van ons de gouden sleutel op ons existentiële bestaan”. De mens bestaat uit ruwweg twee onderdelen: een stoffe- lijk, fysiek en tastbaar, lichaam dat ten nauwste is verbonden met de wereld van existentie. In deze wereld van existentie be- dienen we ons van ideeën, gevoelens, inspiratie en intuïtie, ge- dachten en soms ook instinct. Naast dit tastbare lichaam wordt de totale mens gevormd door nog een zuiver, niet aan de mate- rie of stof, verwant geestelijk lichaam, dat dus normaal ge- sproken niet bereikbaar is voor onze vijf zintuigen. Dit geeste- lijk lichaam wordt op verschillende manieren benoemd, elke religie of levensbeschouwelijke stroming heeft daarvoor zo zijn eigen namen, begrippen etc. Om het eenvoudig te houden zal ik het hebben over de Geest-Mens. Voor een verdere begripsvorming. Elk individu is m.i. een kind van God in Diens schepping na de zondeval (= scheiding der geesten). Het individu werkt aan de re-integratie in zijn oor- spronkelijke bestaan (= de terugkeer in de paradijselijke staat als volledig bewuste mens aan de zijde van de Vader). Daartoe dient bij herhaling de leerschool van de wereld van existentie te worden betreden (= afdaling in de stof – re-incarnatie). Geleerd moet worden zich alle finesses van Gods schepping eigen te maken (= leerproces en evolutie van het individu). Kortom: een compleet dynamisch leerproces om de materie volstrekt dienst- baar te maken aan de Geest-Mens (“per Ardua ad astra”; vrij vertaald: je moet hindernissen overwinnen om de top te berei- ken). Daarmee kom ik dichtbij eerder genoemde Egyptische uit- spraak: “de ziel geeft aan wat de mens in zijn leven kan berei- ken” . In het leven bereiken = in dit leven bereiken. Daarvoor wordt ook wel de term ‘dharma’ gebruikt, maar we kunnen het ook houden op ‘huiswerk voor dit leven’. Als opstapje naar het volgende bedien ik mij van de uit- spraak van Plotinus (6) : “De menselijke ziel is een tussenwezen, geplaatst tussen de hogere en de lagere wereld” . Vraag blijft: wat is of zijn de hogere-lagere wereld(en)? Tussenwezen In de oudheid werden bij de Griekse openluchttheaters trage- diën opgevoerd, waarin ’s mensens lotbestemming werd be- ïnvloed of domweg bestuurd door de goden vanaf de Olym- pus. De goden intervenieerden naar hartelust in het leven van de mensen, altijd. De acteurs, die deze goden uitbeeldden op het toneel, droegen maskers waardoor de toeschouwer begreep welke godheid zich manifesteerde. Het masker was zo ge- vormd dat het mondstuk de stem van de acteur (dus de uitge- beelde godheid) verder deed klinken en zich dus krachtiger 17 Reflectie 9(3), herfst 2012
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=