Reflectie herfst 2012.vp

Zien wat verborgen is Soefies en gnostici als gidsen Ojas Th. de Ronde Pir Vilayat Inayat Khan, een islamitische soefi mysticus, ben ik nog steeds dankbaar voor de manier waarop hij eens mijn inner- lijke ogen opende voor wie ik werkelijk ben. Ik betreur het daarom dat in de chaotische situatie van dit moment een mystieke stro- ming als die van de soefis wordt meegesleurd in een verwarrende discussie over de Europese identiteit en de Arabische cultuur. De spirituele boodschap van het soefisme wordt zo op een onjuiste manier verward met haar culturele inkleding. Zo wordt al te gemakkelijk het kind met het badwater weggegooid. Maar een herbezinning op de kern van het soefisme maakt duidelijk dat we hier te maken hebben met een unieke gnostische traditie die, ook al gedijde zij vooral in een islamitische context, universele bete- kenis heeft en nog steeds ook Westerlingen kan inspireren. Geen geheimen achterhouden Mijn eerste ontmoeting met de soefis was in het midden van de jaren ’70 van de vorige eeuw. Mijn vriendin en ik waren naar de Kosmos getogen, een bekend New Age Centrum in Amsterdam, waar we een ontmoeting zouden hebben met de soefi-mysticus Pir Vilayat Inayat Khan. Hij is de oudste zoon van de grote soefi-hervormer Hazrat Inayat Khan en volgde hem op als spirituele leider van de soefis in het westen, Pir Vilayat was een openbaring voor me. Ik herinner me nog de woorden waarmee deze statige, levendige Arabier be- gon: ‘De crisis in de wereld is nu te groot om nog esoterische geheimen achter te houden voor een kleine groep mensen. We moeten nu alles delen wat we in ons hart dragen en aan ieder- een vertellen. Jullie hoeven daarvoor niet je eigen kerk, religie of belijdenis op te geven. Want wat je nu gaat horen is het hart van alle religies.’ Hij begon te vertellen over de directe ontmoeting met God die het geboorterecht is van elk schepsel. Als je hart maar op- recht voor Hem openstaat. Zijn woorden vielen in goede aarde en creëerden een sfeer van innige saamhorigheid. Mijn vrien- din en ik besloten vaker naar hem toe te gaan. We ontdekten een toegang naar ons eigen wezen die tot dat moment gesloten was gebleven. Zikr Op een dag nodigde hij ons uit het geheime soefi-ritueel van de ‘zikr’ mee te doen. Een bijzondere ervaring die ons diep in onszelf bracht. Pir Vilayat legde ons het ritueel uit en ook de betekenis ervan. ‘Zikr’ betekent letterlijk ‘zich herinneren’. Je krijgt in deze vorm van meditatie de kans om je de essentie te herinneren, dat wat werkelijk is, de bron waaruit je ontstaan bent. Die kennis is in ieder latent aanwezig, maar weggedrukt door de spanningen van alledag. Door op een bepaalde manier gezamenlijk te zingen en te bewegen ontstaat er een gevoels- overgave en laten de spanningen los. De ‘kramp’ waarin je normaal leeft, lost zich op en je ervaart een nieuwe manier van zijn. Je wordt, als je de gevoelsovergave langere tijd kunt vol- houden, verzadigd van het goddelijke. Je ontwikkelt een nieu- we hartkwaliteit, waardoor je anders en levenslustiger in het leven komt staan. We hebben deze ‘zikr’ een aantal malen mogen doen. Ook buiten in de open lucht, in de Zwitserse bergen, als Pir ons meenam naar zijn zomerkamp in de bergen boven Chamonix. Het gebeurde altijd in groepsverband, soms met honderden te- gelijk. Er ontstond een intense vorm van concentratie doordat we elkaar inspireerden en ondersteunden. Met veel dankbaar- heid denk ik aan die tijd terug. Minnaars van God Ofschoon Pir Vilayat (foto links) ons graag bij het ‘hier en nu’ hield, gaf hij ons soms ook een blik in de geschiede- nis van het soefisme. Hij vertelde dan over de kleine groepjes zoekers in de Islamitische wereld die bekend stonden als ‘De Minnaars van God’. Met hun diepe passie en verlangen naar God rea- liseerden zij de Waarheid als ‘De Geliefde’. Later werden zij ’soefis’ genoemd vanwege hun wit- wollen mantels (‘sûf’) of hun zuiverheid van hart (‘safa’). Deze kleine groepjes kwamen samen rondom spirituele leraren en door de tijd heen ontwikkelden zij zich als broederschappen en ordes, waarbij iedere orde de naam van hun initiator droeg. Hun pad had als doel de vereniging met het God. De reis naar dit doel was voor ieder uniek, maar alle zoekers maakten fasen door van beproevingen, processen van zuivering en transformatie. Soefimeesters of sheiks probeerden deze fasen te beschrijven. Als gidsen brachten zij het pad van het hart en de mystieke staten, die onderweg ervaren worden, in kaart. Zij maakten duidelijk dat de herinneringen aan God (‘zikr’) ons dichter bij onze eeuwige essentie konden brengen. En met eenvoud, openhartigheid en humor deelden zij hun glimpen van de essentiële eenheid van alle leven. Sommigen moesten dat met de dood bekopen. Zo ook de prins van alle minnaars in Bagdad, al-Hallâj. Hij sprak voort- durend over de essentiële vereniging van minnaar en Geliefde, maar werd ter dood veroordeeld omdat hij de mystieke waar- heid uitriep: ‘Ik ben de Absolute Waarheid’ (‘anâ ‘l-Haqq’). Later in Nishapur verkondigde de grote meester Abû Saíd de noodzaak om het ego of de ‘nafs’ uit te bannen en zo het pure Zelf te realiseren. Als minnaars van God spraken zij de directere taal van de spirituele ervaring en gaven er zo blijk van dat zij, in de voet- sporen van Mohammed – de laatste der profeten – de Waar- heid geproefd hadden. Zij beriepen zich daarbij op vers 5:54 van de Koran waarin God zegt dat, als het geloof verzwakt ‘Hij zal aankomen met lieden die Hij bemint en die Hem be- minnen.’ Vanuit dit besef brachten zij vrede en verzoening in streken waar zij rondtrokken. Zij voelden zich daarbij ook ver- bonden met de gnostisch geïnspireerde christenen, die zij ‘de 21 Reflectie 9(3), herfst 2012

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=