Reflectie herfst 2012.vp

wetenden’ ( ‘urafa’ ) noemden en die evenals zij in hun tijd een interreligieuze dialoog op gang probeerden te brengen. Tekenen van liefde Dit laatste kan ons verbazen. Is er dan geen groot verschil tus- sen de God van de Christenen en Allah? Daarvoor moeten we teruggaan naar de tijd dat de profeet Mohammed leefde en durven kijken met de ogen van historisch-kritische Islamolo- gen. We ontdekken dan een man in Mekka die intense mystie- ke ervaringen had. Maar toen Mohammed in Mekka zijn mys- tieke ervaringen begon te vertellen, had hij geen idee van de rol die hij later zou gaan spelen. Hij dacht er zeker geen mo- ment aan dat hij de basis van een nieuwe, universele religie legde. Hij zag zichzelf eerder als een man die de bewoners van Mekka de oude religie van de ene God opnieuw in herinnering moest brengen. Hij wilde dat de mensen zich de goddelijke di- mensie van het bestaan weer gingen herinneren en dankbaar zouden zijn voor Gods weldaden die ze iedere dag mochten ontvangen. Hij onderstreepte dat men voortdurend oplettend en nieuwsgierig moest zijn om in het dagelijkse leven, de cri- sissen en blijde gebeurtenissen, de ‘tekenen’ ( ‘ajat’ ) en ‘bood- schappen’ van God te ontdekken. Mohammed droomde niet van de stichting van een theocra- tie. Dat zouden later zijn opvolgers, de kaliefen, namens hem doen. Hij vond dat hij geen politiek ambt in de stad hoorde te bekleden, maar dat hij gewoon de nadzir was, de vermaner van de bewoners die door God was gezonden. En hij deed dat voor het eerst in het Arabische dialect van de Koeraisjieten, de stam waartoe hij behoorde en die in Mekka de leiding had. De verslaglegging daarvan in de Koran heeft iets bijzon- ders. Zoals uit de naam al blijkt is de Koran, ofwel Opzegging , bedoeld om hardop voorgedragen te worden. De muziek van de taal is een essentieel onderdeel van het effect dat de Koran heeft. Wie de declamaties van de Koran nu hoort, kan nog steeds de ervaring hebben omgeven te worden door een god- delijke dimensie van klank. Uit verslagen uit de tijd van Mo- hammed blijkt dan ook dat mensen diep in hun hart geraakt werden en tot vervoering kwamen als zij de goddelijk geïnspi- reerde woorden van Mohammed uit zijn mond hoorden vloei- en. Het veroorzaakte een soort zintuiglijke ontregeling, een gevoel van ontwaken en een verontrustend besef dat er iets be- langrijks te horen viel. Zij konden daardoor dan ook zijn boodschap niet weerstaan. Dankbaarheid En wat was zijn boodschap? Mohammed hoefde zijn medebe- woners niet het bewijs te leveren dat God bestaat. Ieder ge- loofde impliciet in Allah, de schepper van hemel en aarde, en de meesten geloofden ook dat Hij de God was die door joden en christenen werd vereerd. Voor iedereen was dit duidelijk, zoals we ook in de Koran kunnen lezen: ‘Indien gij hun vraagt wie de hemelen en de aarde geschapen heeft en de zon en de maan dienstbaar heeft gemaakt zeggen zij: God.’ (1) Het probleem was alleen dat de bewoners van Mekka de consequenties daarvan niet doorzagen en dat moest Moham- med hen duidelijk maken. Ze waren rijk geworden en nu ver- gaten ze dat ze voor hun voedsel en levensonderhoud van Hem afhankelijk waren. Ze waren door hun welvaart zelfge- noegzaam, egoïstisch en individualistisch geworden en gingen voorbij aan hun verantwoordelijkheid als lid van een fatsoen- lijke Arabische gemeenschap. Vandaar dan ook dat in de vroege verzen van de Koran de Koeraisjieten worden aangespoord zich bewust te worden van Gods goedertierenheid die ze overal om zich heen kunnen zien. Het vervolg van het eerder aangehaalde vers maakt dit dan ook scherp duidelijk: ‘En indien gij hun vraagt wie uit de hemel water heeft doen neerdalen en daarmee de aarde levend heeft gemaakt nadat zij dood was, dan zeggen zij wel: God. Zeg: Lof aan God. Maar neen, de meesten van hen zijn niet verstandig.’ (2) Het godsbestaan stond niet ter discussie. Wat dan wel? De ondankbaarheid ten opzichte van God. De Koran hamert hier voortdurend op. In de Koran is een ongelovige (kafir bi ni’mat Allah) dan ook geen atheïst in onze betekenis van het woord, maar iemand die Hem niet dankbaar is, die koppig weigert hem dankbaarheid te tonen terwijl hij om zich heen kan zien welke weldaden hij dagelijks van God krijgt. En wat is dan een ware gelovige? Iemand die zich met hart en ziel overgeeft aan God, iemand die niets meer achterhoudt maar zich in zijn doen en laten volledig laat leiden door God die het goede met iedereen voorheeft. Die dankbaar alles ac- cepteert als de wil van God. Het Arabische woord voor deze ‘overgave’ is ‘islam’ en dat werd op een gegeven moment het woord waarmee de volgelingen van Mohammed zich gingen onderscheiden van de andere gelovigen. Zij leefden een leven in dankbare overgave en waren als ‘moslims’ volledig aan de Schepper onderworpen. Familieruzies Juist deze dankbare overgave aan God en de daaruit voort- vloeiende eenheid met elkaar, gevoel voor rechtvaardigheid en mededogen met alle schepselen bleek een enorme impuls voor de islamitische gemeenschap. De krachtige, op spiritualiteit gegrondveste, jonge islamitische gemeenschap maakte al snel een hoge vlucht. Omdat er toen op het Arabisch schiereiland sprake was van een machtsvacuüm tussen het Perzische en Ro- meinse Rijk, kon deze gemeenschap zich snel ook politiek uit- breiden. Ondanks de innerlijke strijd tussen de soennieten en de sji’iten (3) ontstond er een cultureel en politiek triomferende Islam die tot grote gebiedsuitbreidingen kwam, zowel in het Midden en Verre Oosten als in delen van Europa. Het antwoord van het christelijke Westen hierop was een serie kruistochten en vanaf die tijd heeft de geschiedenis ook voor het Westen een bloedig gezicht. Bovendien ontwikkelde het Westen vanaf die tijd een stereotiep en vertekend beeld van de Islam, die gezien werd als een barbaarse vijand van een fatsoenlijke beschaving. Ook de mythe van een veronderstelde fanatieke intolerantie van de Islam werd daarbij één van de al- gemeen aanvaarde ideeën van het Westen. Dit werd niet gepikt door een groepje fanatieke moslims die een eigen fundamentalistische kruistocht begonnen, al-Sa- libija . Zij werden gevoed door haat tegen het Westerse koloni- alisme en post-koloniale imperialisme, maar hun speerpunt was het seculiere denken van het Westen. Zij sloegen terug om te herstellen wat zij zagen als schadelijke gevolgen van de mo- derne, seculiere cultuur waarin voor dankbaarheid aan God geen plaats meer was. Maar in dit proces raakten zij ver- vreemd van de eigen waarden van rechtvaardigheid en mede- dogen die het kenmerk zijn van alle godsdiensten, ook van de Islam. Ook het christelijke Westen had in deze strijd haar idea- len verloren. 22 Reflectie 9(3), herfst 2012

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=