1-Reflectie 4(1)vrj07.vp

10 Reflectie 4(1) voorjaar 2007 In het Nieuwe Testament is vooral Jezus de Christus de persoon in wie God Zich uitdrukt als de Vader. Alles wat Jezus doet en zegt, komt voort uit de Vader. Door Hem is Hij gezonden en Zijn wil wordt door Hem uitgevoerd. Hij is één met de Vader. Wie Hem heeft gezien, heeft de Vader gezien. Jezus is de Weg, de Waarheid en het Leven. Daarmee is Hij een (of het) Godsbeeld. Ook een metafysische betekenis van namen Namen hebben ook een metafysische betekenis. De Metaphysi- cal Bible Dictionary (N.N., 1931) geeft van alle namen uit de Bijbel een metafysische betekenis. Deze betekenis voert altijd terug op (aanwezige dan wel te ontwikkelen) eigenschappen in de mens. Over de naam Jahweh (Jehova; oorspronkelijk JHVH) worden de volgende betekenissen gegeven: Hij die is, die was, die zijn zal De in zichzelf bestaande Hij die eeuwig is “Ik ben die Ik ben”, zei God tegen Mozes Ik ben – Ik was – Ik zal zijn omdat Ik ben – Ik was en Ik zal zijn de Kracht om eeuwig Ik te zijn (zou de oorspronkelijke betekenis zijn van Jahweh). ‘Ik ben’ is Gods naam in de mens, de inwonende Christus in de mens. De ontmoeting van Mozes met God in het brandende bosje is de ontmoeting met God – Ik ben – in zich zelf: het Hoger Zelf. De mens ontmoet zijn Hoger Zelf, dat zich in hem openbaart als ‘Ik ben’. Als datgene in de mens ‘die was, die is en zal zijn’. De eeuwige, onsterfelijke mens. Het is de Wil van God in de mens. Een andere esoterische benadering zegt, dat ‘Ik ben’ de ont- waakte monade of Goddelijke Vonk (= een deel van God) in de mens is. Mozes staat dan voor het Hoger Zelf dat contact krijgt met de monade (een deeltje van de Godheid, ook wel Goddelij- ke Vonk genoemd), waardoor de Godheid zich gaat uitdrukken in het menselijke bewustzijn. De Israëlieten in Egypte staan dan voor het lagere zelf of de persoonlijkheid. Het brandende bosje wijst op het scheppende vuur van de zon en de aarde. Dit scheppende vuur ontwaakt in de mens en neemt als het ware het roer over in het leven van die mens. Hij wordt voortaan van binnenuit door de monade geleid en gestuurd. Dit komt tot uit- drukking in het uitspreken van de naam ‘Ik ben’. Daarmee is de openbaring compleet: de almachtige Godheid manifesteert zich van nu af aan door een deel van zichzelf (de monade) aan en in het menselijk bewustzijn. Volgens deze esoterische benadering verwijzen Godsbeel- den naar ontwikkelings- en openbaringsprocessen van het God- delijke in de mens. Macrokosmische ontwikkeling in beelden en namen Godsbeelden kunnen esoterisch gezien ook naar macrokosmi- sche ontwikkelingen verwijzen: de personen van Abraham, Isaac, Jacob en Mozes en hun relatie met God, verwijzen naar opeenvolgende cycli en subcycli van involutie en evolutie die manvantara’s of tijdkringen van openbaring worden genoemd (Hodson, 1970, 1975). Mozes staat voor de 4 e cyclus. Elk zo’n cyclus wordt bestuurd door een geopenbaarde Godheid of Lo- gos. Hier Abraham, Isaac, Jacob en Mozes. Jacob stelt hier de beoogde Logos voor van een nieuwe – de derde - cyclus van evolutie. Die nieuwe Logos ontvangt van zijn voorganger het machtswoord – dat is zijn Naam – waardoor hij door zijn voor- ganger geconsacreerd en geïnstalleerd wordt in zijn functie en alle officiële macht van hem krijgt overgedragen. De worsteling van Jacob met God symboliseert het proces van inspanning om van de ene cyclus over te gaan naar de volgende. Jacob ont- vangt daarna zijn nieuwe naam: Israël. Die nieuwe naam staat voor de nieuwe creatieve trillingen en frequenties die een rol gaan spelen in de nieuwe cyclus in het plan van evolutie. Op microkosmische schaal praten we over de cyclus van ge- boorte en dood. Het bijbelboek Job Dit boek staat vol met Godsbeelden. Het verhaal van Job is het verhaal van de rechtschapen, goede, vrome mens die door het lot hard wordt getroffen. Als God zijn zonen bijeen roept, wijst Hij hen op de goedheid en vroomheid van Zijn knecht Job. Er is onder de mensen niemand vromer dan Job. Vervolgens is het diezelfde God die uitgedaagd door een van Zijn zonen – de Sa- tan – toestaat dat deze Job ‘bezoekt’ om zijn vroomheid en goedheid op de proef te stellen. Job begrijpt niet waarom hij zo bezocht wordt, klaagt God aan en roept Hem ter verantwoor- ding. Een metafysische benadering van dit verhaal is als volgt. Job is een goed mens. Maar dat wil niet zeggen dat in hem de ware liefde en de ware wijsheid werkzaam zijn. Job is voort- durend bezig zichzelf te rechtvaardigen. Hij staat voor de mens die nog niet is ingegaan in de diepten van zijn eigen wezen, maar leeft vanuit het uiterlijke bewustzijnproces en het beperk- te persoonlijke bewustzijn. Er is geen sprake van echt diep be- grijpen, waardoor angst ontstaat en de mens zelfrechtvaardiging zoekt in uiterlijkheden. De gesprekken met de drie vrienden wijzen op deze bewustzijnstoestand. Het gesprek met de vierde vriend – Elihu - staat voor het stadium waarin echt inzicht ont- staat door de werking van de Geest in de mens. Deze maakt dat zijn hart, zijn gedachten, zijn woorden en daden, zijn hele leven bezield worden vanuit de inwonende Christuskracht van werke- lijke Liefde en Wijsheid. Als die kracht werkzaam wordt, leeft Job (lees: de mens) in werkelijke vrede, vreugde en overvloed. Naast deze misschien wat moeilijke uitleg van een Gods- beeld, wordt het verhaal van Job ook wel in theosofische zin uitgelegd. Job heeft in zijn leven een hoeveelheid karma af te wikkelen uit vorige levens. Weer een andere visie is, dat het boek een inwijdingsverhaal is (Blavatsky). Ook Jung gaat uitgebreid in op het verhaal van Job en het Godsbeeld dat naar zijn idee daarin naar voren komt, (Jung, 1992). Volgens Jung is God elke eigenschap in totaliteit: goed en kwaad, gerechtig en ongerechtig etc. God beschermt niet te- gen het kwade. Hij moedigde de duivel aan om Job te beproe- ven. Weliswaar mocht de duivel Job beproeven en bezoeken met tegenslag, ziekte en lijden, maar doden mocht hij hem niet. De vrouw en kinderen van Job vielen niet onder deze uitzonde- ring. In de weddenschap met de duivel overtreedt God zijn ei- gen gebod: “Gij zult niet doden.” Job is Gods slachtoffer. God wil helemaal niet rechtvaardig zijn, maar pocht op zijn macht die vóór recht gaat. Maar daarin praat hij langs Job heen. Als er één is die niet van Gods almacht en grootheid overtuigd hoeft te worden, is het Job. Jung trekt de conclusie dat God vooral met zichzelf bezig is en geen oog heeft voor Jobs problemen. Hij is niet werkelijk in Job geïnteresseerd. Job legt zich daarbij neer. Jung concludeert, dat God zich slechts dankzij een object – Job – een gevoel van eigen bestaan kan verschaffen. Maar dit po- gen om zichzelf te leren kennen is ontoereikend. Job kent God beter dan God zichzelf kent: in een lofzang op de Wijsheid – “ Ze is voor geen goud te koop, met geen zilver te betalen” (Job 28:15) – geeft Job eigenlijk aan, dat hij dit in God mist. God

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=