1-Reflectie 4(1)vrj07.vp
neemt dit ter harte. Om zichzelf te leren kennen besluit hij mens te worden: de geboorte van Jezus – de mensgeworden God – geboren uit Maria, de zorgzame, liefhebbende Wijsheid. Langs veel wegen komen Godsbeelden tot ons Een veelheid aan beelden komt tot ons in de geschriften van mystici, waarin wij kunnen lezen hoe zij God hebben leren kennen. Bij twee van hen wil ik stilstaan: Meester Eckhart (1260 – 1328) en Jacob Boehme (1575 - 1624). In de religiositeit van Meester Eckhart (Blommenstijn en Maas, 1990) gaat het eigenlijk slechts om één ding: alleen in de ziel van de mens is leven, en alleen wanneer je vanuit de ziel leeft, leef je (zie kadertekst). Godsbeelden vormen een scheidende bemiddeling: het is een kleed dat verhindert dat geliefden naakt bijeen zijn. In andere bewoording: een Gods- beeld is een beperkt hulpmiddel. God kan niet gekend wor- den: God is boven alle kennen verheven. Het is daarom beter niet over God te praten. Hij is naamloos, Hij is niet-God, niet-geest, niet-persoon, niet-beeld. God is niet beminnens- waardig: Hij is boven alle liefde en beminnenswaardigheid verheven. Wil je God toch liefhebben, dan kan dat alleen op een beeldloze wijze, door een ziel die niet-geestelijk is, want zo lang de ziel de gestalte heeft van geest, heeft ze beelden, draagt ze de scheidende bemiddeling van beelden in zich. Er is in de ziel dan nog geen sprake van eenheid, enkelvoudigheid en éénstemmigheid. En zo lang dat het geval is, kan ze God niet echt liefhebben. Zo zou je in het kort de visie op Gods- beelden van deze mysticus kunnen samenvatten. Meester Eckhart beschrijft zijn relatie met God op heel intie- me wijze: “God en ik, wij zijn één. Hij baart mij als zijn Zoon, hij baart mij als zichzelf en zichzelf als mij en mij als Zijn zijn en als Zijn natuur. In de diepste bron wel ik op in de Heilige Geest; daar is één leven, één zijn en één werk. Al wat God doet is één.” In de mens komt God aan het licht, de mens-wording van de mens is niets anders dan het God-zijn, het werken van God. Het werken en het worden is één: als de timmerman niet werkt, wórdt het huis ook niet. “God en ik, wij zijn één. Wij zijn één in net zo’n werken: hij werkt, en ik word. Je moet God niet opvatten als buiten jezelf, maar als je eigenste en alles wat ín jou is.” Daarom kun je volgens Eckhart ook niets verlangen van God. Doe je dat wel, dan kom je in een ‘knecht – heerrelatie’ te- recht: wie iets verlangt, is knecht en wie beloont, is heer, terwijl de Heer tot zijn leerlingen zei: ”Ik heb u geen knechten genoemd, maar vrienden.” (Joh.15:15). Er is geen heer en er is geen knecht, er is geen af- stand. Volgens Eckhart is alles één, de veelheid is slechts schijn. Eenheid is leven, en dat leven is God of de Godheid. Eckhart maakt duidelijk onderscheid in een ongeopenbaarde God – Godheid - en een God in openbaring – die noemt hij ‘gewoon’ God - , waarbij de openbaring eigenlijk al besloten ligt in de ongeopenbaarde God. God is de schepping. God werkt. In de schepselen is hij God en heeft hij een betrekking met zijn schepping. De Godheid werkt niet. Het eigene van de Godheid is zijn niet-betrekking. In tegenstelling tot God die wel een betrekking (relatie) heeft met zijn schepping. Dat is een relatie van geven – ontvangen, waarvan de structuur trini- tair is (zie hierna). Maar in de Godheid ligt wel de oorspronk- elijke ongeborenheid van de aanwezigheid van de schepping. In dit onderscheid – een ongeopenbaarde God en een God in openbaring – is voor Eckhart echter geen reëel verschil aan de orde, maar een onderscheid van het kennen. De Godheid – de ongeopenbaarde God – is rustend in zichzelf, het is absolute overvloed die opwelt in een uitstuwende beweging die tegelijk binnenblijft. In die uitgaande beweging baart de Vader de Zoon. Die is het evenbeeld van de Vader, waardoor de Zoon de Vader kent. Even wezenlijk als de barende uitstuwende is de ‘terugbarende’ ingaande beweging van liefde: de Zoon wordt voortdurend ver-een-d met de Vader en dat is de Geest. Deze stroom van trinitair leven verbeeldt de overvloed van de Ene Verborgene. In deze trinitaire stroom is in principe de hele schepping reeds gegeven (als oerbeeld van alle dingen); in de Zoon ligt de hele uitgaande mogelijkheid van de schep- ping reeds besloten. Deze identiteit van de oerbeelden der schepselen met het ene beeld – de Zoon – noemt Eckhart de eerste voortbrenging . Er is dan nog geen sprake van ‘schep- ping’. Dat is het geval in de tweede voortbrenging, de voort- gaande uitgaande beweging, het tweede scheppings-‘moment’, de eigenlijke schepping: God is dan werkzaam als God-Schep- per. De Vader brengt de schepping voort in tijd en ruimte als iets ánders dan Hijzelf is. Dat is de versplintering of fragmen- tatie in veelheid die Eckhart ‘schepselijkheid’ noemt. Bezien vanuit de ene volheid is die fragmentatie of schepselijkheid ei- genlijk niets. De schepping is namelijk wezenlijk gevormd naar de Zoon en is daarmee in de grond niets anders dan God. De mens echter identificeert zich met die fragmentatie en klampt zich daaraan vast als een vorm van zelfbehoud. De mystiek van Eckhart wordt gekenmerkt door een drie- voudigheid: afgescheidenheid, de godsgeboorte in de ziel en de adel der ziel. Van dat laatste zegt Eckhart dat de mens ‘iets’ heeft wat alleen de mens heeft. “Zelfs de engel heeft het niet”, zegt hij. De mens heeft ‘Etwas in der Seele’, heeft ‘iets’ van de Ene Verborgene. Een eenheid die nog ‘achter’ God als tri- nitair leven ligt. In zijn preken noemt hij dat ‘de Adel der ziel’. Wij zouden nu zeggen: de Goddelijke Vonk, de Monade. Jacob Boehme , de schoenmaker en mysticus uit Görlitz, ge- bruikt een heel eigen terminologie om wat eigenlijk niet in woorden is uit te drukken, toch tot uitdrukking te brengen. Zelf zegt hij, dat die woorden hem door God zijn ingegeven. Boehme schrijft, dat hij door alles heen kan kijken en in alles God ziet, zelfs in de kruiden, de grassen en de worm. De Godheid – of door hem ook wel de Ongrond of Afgrond genoemd – is onkenbaar voor de mens (Boehme, fac- simile-uitgave). Het is Potentie, Het is Een, eeuwig niets, geen schepsel gelijk, maar tegelijk ook alles, zonder grond, begin of plaats. Het bezit niets dan alleen zichzelf. In zichzelf is Het niets anders dan Een. Het behoeft geen ruimte noch plaats. Het brengt zichzelf in zichzelf voort van eeuwigheid tot eeuwig- heid. God is aan geen ding gelijk of gelijkend en er is geen speciale plaats waar Het woont. Net als Eckhart maakt Boehme onderscheid in de eeuwig in Zichzelf verblijvende 11 Reflectie 4(1) voorjaar 2007 “Als je echt leeft, dan kan niets anders in je bezig zijn dan alleen God, in het binnenste van je ziel. Want als iets van buiten af je tot werken aanzet, is heel dat werken eigenlijk al dood. Zelfs wanneer God je van buiten af tot werken zou aanzetten of als je iets doet omwille van God, dan is ook dat werken evengoed ten dode en je bederft er het werken zelf mee. Als je leven wilt vinden in je werken, dan is dat God vanuit het binnenste van je ziel tot werken aanzet. Want daar is enkel leven en alleen daar leef je.” (fragment uit zijn preek ‘Iustus in perpetuum vivet’).
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=