1-Reflectie 4(1)vrj07.vp

Ons lichaam als thuisbasis voor spirituele ontwikkeling Peter Kampschuur Wanneer we ons lichaam bewust bewonen als ons aardse huis, kunnen we ontdekken dat het niet begrensd is maar deel van ons multidimensionele wezen. Zo komen we thuis in onze individuele microkosmos, die één is met de macrokosmos. Binnen is bui- ten;buiten is binnen. Tijdens de ‘all India – all guru tour’ die ik tegen m’n dertigste maakte, belandde ik in het dorpje Shirdi, bijna een dagreis van Poona. Daar ontmoette ik Rama- lingaswa- my, geen bekende goeroe, maar één van de talloze zwervende monniken die het land rijk is. Hij deed zijn best om de jonge on- tevreden zoeker die ik was iets bij te bren- gen, en zo hadden we interessante conver- saties. Op de ochtend van mijn vertrek zat hij vastend en watertandend aan mijn ont- bijttafeltje voor een laatste gesprek, en toen ik even later met één voet in de bus stond, riep hij me nog een allerlaatste zin na in een welhaast wanhopige poging om de kern van mijn pro- bleem en zijn visie daarop samen te vatten: ‘Als je samsara niet accepteert, zul je nirwana nooit bereiken!’ Hij keek me ernstig na, terwijl ik onbeholpen glimlachend terugzwaaide door de achterruit van de wegrijdende bus. Niet alleen dat beeld, maar ook zijn woorden zijn me altijd bijgebleven: ‘Als je de wereld van het ‘worden’, de kringloop van wedergeboorten niet accepteert, zul je nooit vrij zijn van ego-afgescheidenheid!’ Een waarheid als een heilige koe, want die vrijheid is alleen mogelijk door ons te verenigen met al-wat-is, ook met deze wereld: de aarde met al wat erop leeft en zich ontwikkelt. Tot de eerste stappen op het spirituele pad behoort dan ook de verzoening met ons aardse bestaan, met het simpele feit dat we nu hier zijn en een lichamelijke vorm hebben – èn met de manier waarop ons leven verloopt. Een mooie metafoor voor het gaan van de innerlijke weg is ‘thuiskomen’. Maar naar welk ‘thuis’ verlangen we dan? Het laat zich op allerlei manieren formuleren: thuiskomen in je- zelf, in het Zelf, bij of in God, in de Eenheid… Mijn moeder had in de laatste jaren van haar leven een papier aan een keu- kenkastje hangen, waarop De tien zaligsprekingen van een ou- dere stonden. ‘Zalig zijn zij, die me helpen het kruis van de ouderdom te dragen,’ was er één van. En de laatste van de tien was: ‘Zalig zijn zij, die me op een prettige manier de reis naar Huis vergemakkelijken.’ Ook wie nog lang niet toe is aan de reis naar het hemelse thuis, weet dat elk verblijf hier beneden tijdelijk is. Ons aardse thuis bij uitstek, ons lichaam, laat zijn vergankelijkheid mer- ken. Misschien dat daarom zoveel spiritueel-aspiranten het lichaam trachten over te slaan in hun ontwikkelingsproces… men zoekt zijn thuis liever elders. Maar het is heel jammer om het lichaam af te doen als een soort weg- werpbestek – we zouden er maar roofbouw op plegen en een belangrijke gelegenheid tot eenwording missen. Thuiskomen in ons- zelf – op welk niveau we dit ook opvatten – begint namelijk met thuiskomen in ons lichaam. We zijn ons lichaam niet, we zijn ook niet alleen maar in het lichaam – je kunt ervaren dat je er ook wijd omheen aanwezig bent – maar we zijn hier wel van- uit het lichaam, ons aardse leven lang. Ons lichaam als hulp en gids De plaats waarop- en de conditie waarin ons lichaam zich bevindt, mèt ons energie- lichaam erin en eromheen, maken veel uit voor wat we ervaren – ook voor de manier waarop we onszelf ervaren, als thuis in- of juist als vervreemd van ons lichaam. We hebben op z’n minst een nauwe band met ons lijf en er valt alleen daarom al veel voor te zeggen dat we ons centrum in het lichaam hebben, ook al ervaren we onszelf als ruimer dan de contouren ervan of als iets heel anders dan het lichaam. En zelfs als we in de Eenheid zijn, is onze lichamelijke aanwezigheid nog steeds de manier waarop we dat hier en nu ervaren – we voelen aan den lijve dat we één zijn – of niet. Wie zijn lichaam niet betrekt in zijn bewustwordingspro- ces, maakt het zich onnodig moeilijk op zijn weg tot één zijn. Menig mediterende ervaart hoe het lichaam zich begint te roe- ren – inwendig en soms ook uiterlijk – wanneer de geest wil verstillen. Als we zouden willen dat ons lijf zich naar onze geest voegt, zouden we het lichaam allereerst de nodige bewe- ging en de nodige rust moeten geven, zodat het ‘meegaat’ in onze ontspanning en verdieping in onszelf. Dan hoeft het hele- maal niet te lijken alsof het lichaam onze tegenstander is, zoals menig doorwrocht zazèn-beoefenaar of andere mediterende schijnt te denken. Zeg nu zelf: het is toch ook heel inconsequent om één te willen worden met al-wat-is, maar daar je eigen lijf van uit te sluiten! Maar misschien wil zo’n mediterende dat niet, één zijn met al wat is. Misschien wil hij of zij alleen maar één zijn met hogere regionen of opgaan in de grote leegte, wat men zich daar ook bij voorstelt. In een bepaalde opvatting van spirituele ontwikkeling denkt men van het mentale niveau door te kun- nen stoten naar de spirituele bewustzijnslaag, terwijl men wars is van alles wat daaraan voorafgaat. Aandacht voor je lichaam lijkt dan een flinke stap terug. Dit is hoogst betreurenswaardig, want in die eerdere lagen van bewustzijn-en-energie blijft op deze manier allerlei ongerechtigheid hangen: verkrampingen, pijn, vermoeidheid, diepe angsten, stemmingen, oppervlakki- ger emoties, spanningen en blokkades, rondzingende gedach- 20 Reflectie 4(1) voorjaar 2007

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=