1-Reflectie 4(1)vrj07.vp
Naastenliefde en Advaita ‘God en de naaste liefhebben’ in hindoeïsme en christendom Douwe Tiemersma Heeft de Advaita Vedanta (Hindoeïsme) weinig oog voor het praktische samenleven en de naastenliefde daarin? Sommigen beweren dat, en dat is begrijpelijk, maar het is een misver- stand. Je kunt wel als persoon blijven strijden tegen egocentri- citeit en gebrek aan naastenliefde, maar dat is een moeizame onderneming. Het probleem wordt opgelost als er de realisa- tie is van het hoogste. De vervulling van het eerste gebod (Gods liefde) is niet voor niets het eerste en grote gebod. Dan is het tweede gebod van naastenliefde daaraan gelijk. Het is maar de vraag hoever de omgekeerde weg gaat. In het willen voldoen aan de geboden of dharma zit een ik-wil. Dan blijven er problemen. Advaita-leraar Douwe Tiemersma legt uit. Je terugtrekken De Advaita Vedanta is een stroming die teruggaat op de Upa- nishaden, de laatste onderdelen van de Veda’s. Zij zijn ge- schriften met het essentiële onderricht van goeroes aan besloten groepen van leerlingen. Het essentiële onderricht be- treft de meditatie bij vuuroffers, maar vooral de identiteit van het echte zelf-zijn ( Âtman ) met de wereldgrond ( Brahman ). De realisatie van deze identiteit betekent bevrijding ( moksa ). Daarop waren de mensen in die besloten groepen gericht. Zij waren uit de maatschappij gestapt om zich hieraan volledig te wijden. In India is er nog steeds een duidelijke, geaccepteer- de plaats voor mensen die zich volledig toeleggen op dat wat ze zien als het essentiële. Iets dergelijks is er in het Westen ook, namelijk bij de monniken voor zover zij zich in kloosters terugtrekken. Dat er dan minder contact is met het alledaagse samenleven in de familie, het dorp, het land ligt dan voor de hand. De terugtrekking uit de maatschappij stond in dienst van een spirituele weg. Talrijk zijn de benaderingen van het hoog- ste Brahman in de Upanishaden vanuit het fysieke, bijvoor- beeld via de energie ( prâna ), de geest, de goden en het zelf-zijn. Dit betekent een inkeer en meditatie die zo ver gaat, dat alle verschijnselen met naam en vorm ( nâmarûpa ) worden overschreden. Pas in de realisatie van het absolute, Âtman-Brahman zonder eigenschappen, komt de beweging tot rust. Ten opzichte van dit hoogste is de wereld een erg betrek- kelijke werkelijkheid van verschijnselen. Als men op deze wijze gericht is op het hoogste, is er weinig aandacht voor het concrete leven met andere mensen. De critici van Advaita Vedanta lijken gelijk te hebben. Open komen Toch is er iets anders aan de hand. Laten we precies gaan kijken wat er gebeurt, als je je richt op het hoogste Zijn-Zelfzijn. Het is een meditatieve inkeer in de richting van de bron van zelf-zijn. Dit inkeren lijkt een zich afkeren van de wereld, maar wat gebeurt er werkelijk? Heel wonderlijk: hoe verder je naar binnen gaat, des te opener je wordt. Deze twee dingen lijken in tegenspraak met elkaar te zijn, maar dat is het niet. Verder naar binnen gaan is een ontspanning, waardoor het zelf-zijn ruimer wordt. In die grotere ruimte is er meer ruimte voor de anderen, voor de wereld. De inkeer is ontspanning; ontspanning is open komen. Daarom is het woord ‘Openheid’ als een van de weinige woorden geschikt om het hoogste aan te duiden: niets wordt uit- gesloten; alles wordt geaccepteerd als het eigene. Deze beweging heeft een duidelijk bewustzijnsaspect. De inkeer is een bewustwording. De inkeer kan beschreven wor- den als een onderzoek, een onderzoek van je zelf-zijn, waard- oor je zelf verandert. Er is de herkenning van een ruimer zelf-zijn dan de verkrampte vorm van het egocentrische zelf, een bewustwording van de openheid waarin zelf-zijn en het zijn van anderen niet verschillend zijn. Gevoelsmatig vindt er hetzelfde plaats. Je wordt je bewust van je gevoelens, van je gevoelsmatige energie, van je harte- nergie. In het alledaagse, egocentrische leven wordt deze voor een groot deel vastgehouden in een ik-kern (ego). Dit ego is niets anders dan een brok energie die in een punt wordt gecon- centreerd. Bij het naar binnen gaan is er ontspanning en hierd- oor komt je gevoelsenergie vrij. Deze gevoelsmatige zelf-energie - die ben je zelf - kan dan naar buiten stromen. Dat is liefde naar anderen toe. Je houdt je zelf-zijn niet vast in een centrum, maar bent gedecentreerd, in alle andere levende wezens gestroomd. Het zelf-zijn van jezelf valt dan samen met het zelf-zijn van de anderen. Zelf ben je de ander zelf. Je ziet je zelf in alles en alles in je zelf. In de Ishâ Upanishad 6 staat: ‘Wie al wat hier op aarde leeft en beweegt en is,ziet als in het eigen zelf, en dat zelf weer levend in al wat is, die kent geen haat of afkeer meer.’ In de Bhagavadgîtâ is te lezen (6.29): ‘ Degene wiens zelf een geheel is geworden door yoga, ziet zichzelf in alle wezens en alle wezens in zichzelf ...’ Is dat niet de betekenis en de volledige honorering van het tweede grote gebod van de christenen: ‘Heb uw naaste lief als uzelf’? (Matteüs 22.39) Dat liefhebben is niet mogelijk in een dualiteit, als je zelf losstaat van de ander: ik ben ik en de ander is een ander. Het is alleen mogelijk voor zover je eigen zelf ook het zelf is in de ander. Dan is liefde een vanzelfsprekend- heid. Yâjñavalkya zegt: “Het is niet om de man dat de man dierbaar ( priya) is, maar om Âtman is de man dierbaar; het is niet om de vrouw dat vrouw dierbaar is, maar om Âtman is de vrouw dierbaar,” enzovoort (Brhadâranyaka Upanishad 4.5.6). Liefde is geen ding dat je kunt geven; het is de sfeer laten ont- staan waarin er geen gescheidenheid meer is tussen het eigen zelf-zijn en het zelf van de ander. De tweeheid is dan overge- gaan in een non-dualiteit (a-dvaita). Dat geldt ook voor het eerste grote gebod uit hetzelfde bij- belboek: ‘Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met 3 Reflectie 4(1) voorjaar 2007
Made with FlippingBook
RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=