Reflectie 5(4) winter 08.vp

De schepping van hemel en aarde en van de mens X Frank Genesis, het eerste Bijbelboek, is het meest becommentarieer- de gedeelte van het Oude testament. Daarin wordt verhaald hoe de schepping van hemel en aarde en van de mens heeft plaats gevonden; sommigen beschouwen het als een reële be- schrijving van het ontstaan van het heelal en van het leven op aarde, inclusief dat van de mens. Bij nader inzien kan dat na- tuurlijk niet: Genesis is een mythe, die wezenlijke elementen indirect en verhalend ter sprake brengt en geen feiten geeft van kosmische of astronomische aard, of het ontstaan betref- fende het leven op aarde. Dit artikel gaat nader in op de schepping van het univer- sum en de wereld, en (van het wezen) van de mens. 1. De schepping. Schiep God alles, en gebeurde dat uit het niets? Met Kerstmis wordt de geboorte van Jezus de Christus her- dacht en, zoals bij elke geboorte, betreft het een nieuwe schep- ping. Kerstmis is ook te omschrijven als de geboorte van het nieuwe licht. Niet alleen een herdenking, ook wijst het op een op die tijd plaatsvindende gebeurtenis, mogelijk zelfs gezien als van kosmische aard. Christus openbaart zich dan op de in- nerlijke gebieden als een nieuw Licht, waarvan de evangelist Johannes zegt dat dit het ware, of waarachtige, of echte Licht is, dat in de wereld komt en dat ieder mens verlicht (1:19) De komst van dit Licht wordt in de duisternis van de nacht aangekondigd door lichtwezens, de engelen, en verschijnt als- of dit uit het niets voortkomt, geheel onvoorzien. (Hoe zou het anders nieuw kunnen zijn als het was voorzien?) Het Christus- licht komt uit de lichtwereld van God de Zoon en is er één mee, een inzicht dat in de 4 -eeuwse geloofsbelijdenis van Nicea tot uiting komt, waar sprake is van Licht van Licht. In diezelfde tijd, in die 4de eeuw, daartoe lang voorbereid, heeft het vroege christendom zich uitgesproken over het ont- staan van de schepping. Naast de vele andere leerstellingen vinden we het ex nihilo . Hiermee wordt kort de leer aangege- ven dat God de wereld heeft geschapen, en dat dat gebeurde ‘uit het niets’, ex nihilo . Sinds die tijd, ten tijde van het conci- lie van Nicea, maakt het ex nihilo deel uit van het orthodoxe geloof. De Kerk meende zich toen op het Hebreeuwse boek Genesis te kunnen baseren – dat gerekend werd tot de canon van de bijbelse geschriften, definitief vastgesteld aan het eind van die eeuw – door te verkondigen dat God de wereld schiep uit het niets, maar dat was een visie die vreemd is aan de heer- sende opvattingen van het Grieks Platonische denken. Daar gold eerder dat de Allerhoogste door uitstortingen of emana- ties leven en kracht in de wereld liet uitgaan en daardoor tot openbaring kwam. Ook in het Joodse denken is sprake van emanaties. De Kerk, in de eerste eeuwen, dacht daar anders over. Aan de grootsheid en almacht van God wordt immers te- kort gedaan als Hem alléén het scheppen van orde uit de oer- chaos werd toebedeeld! Genesis spreekt weliswaar over de Geest die over de wateren zweefde, maar God schiep toch im- mers het hele universum en formeerde niet alleen de aarde en de zon en de maan zoals Hij later de mens uit het stof der aar- de formeerde. De kerkvaders Origenes (begin 3 eeuw) en Clemens van Alexandrië (eind 2 eeuw) waren het er niet mee eens. Dat mocht niet verhinderen dat het concilie van Nicea het ex nihilo als dogma vastlegde. Het is nog steeds de gang- bare idee van de Kerk. In het Oosten, maar ook in het Westerse denken, is het denkbeeld van perioden in de schepping en in het schepsel niet onbekend. Ten aanzien van het Absolute, de ongeopenbaarde God, houdt dit in dat Deze zich periodiek openbaart in een ge- neratio spontanea . Dit wil zeggen dat er sprake is van het spontaan ontstaan van iets zonder voortbrenger. Ook al betreft het een Voortbrenger, dan onttrekt zich deze ongeopenbaarde God totaal aan ons, en is voor ons alsof het iets uit het niets door niets ontstaat. Door te spreken over generatio spontanea , of over het ex nihilo wordt hiermee toch niets verduidelijkt: het blijft een mysterie hoe schepping en schepsel tot stand komen. In het VK-denken – met name dat van Leadbeater – open- baart God zich in Zijn Drievuldigheid door de oermaterie te be- levendigen. Dat gebeurde het eerst door God de Heilige Geest en lijkt in overeenstemming te zijn met de laatste zin van het eerste vers van Genesis: de Geest Gods zweefde over de wate- ren. Daarbij komt niet duidelijk naar voren dat God ook die oer- materie schiep. Ook hier blijft het mysterie verborgen. Wat heeft de huidige astronomie ons daarover te vertellen? Misschien denkt u wel: ‘niets’, immers, natuurwetenschap en religie bestrijken totaal verschillende gebieden, zo is de algemene mening. Nu blijkt het bijzonder moeilijk te zijn voor de astronomen niets te vinden: niets is zo moeilijk … Het uiteindelijke niets – zuiver vacuüm dus – zal moeten worden gezocht in de diepe ruimte van het universum. Onlangs hebben astronomen dan ook uitgestrekte gebieden van ‘niets’ gevonden, ver weg van mensen, sterren en sterrenstelsels. Het zuivere vacuüm mag dan wel zonder stof, zonder elementaire deeltjes of atomen zijn, het zou niet leeg zijn, maar vol van energie! Zou dan toch iets in het niets zijn? Zou dan bovendien iets uit het niets kun- nen voortkomen? Er zijn nu al astronomen die menen dat die energie, ‘gevangen’ in diep vacuüm aan te wenden is door ruimte te scheppen. Het vraagstuk van het ontstaan van iets, al of niet uit het niets, komt mogelijk een stapje naderbij als we ons het sinds Einstein (in het begin 20 eeuw) aanvaarde idee goed realise- ren: materie kan worden getransformeerd in energie, en omge- keerd energie in materie. Of anders gesteld: iets (materie) kan voortkomen uit niets (energie), en dan geldt in zekere zin het ex nihilo van het vroege christendom! Maar energie wordt te- genwoordig hoe langer hoe duidelijkere ‘aan den lijve’ erva- ren en beschouwd te behoren tot het, zij het subtiele, stoffe- lijke gebied. Energie is dus zeker niet niets, en daarmee geldt het ex nihilo juist weer niet. God formeerde dus ‘alleen maar’ de oermaterie, zoals Genesis het vertelt. Immers, alleen op een bepaald, ‘laag’ niveau ervaren we ener- gie direct als iets. Maar op een meer subtiel, en daarmee ook meer wezenlijk niveau, is energie niets voor ons: immers ons bewustzijn kan het niet vatten. Hebben Origenes en Clemens van Alexandrië dan niet toch gelijk, als zij het niet eens zijn

RkJQdWJsaXNoZXIy MjA2NzQ=